Monday, 31 March 2008

Het trauma van Eldoret


Eldoret, de vierde grootste stad van Kenya. Gelegen in het hart van de Rift Vallei, het toneel van de ergste tribal clashes tijdens de crisis die Kenya begin 2008 in zijn greep hield. Hier werd de kerk in brand gestoken, waarbij zeker 30 Kenyanen levend verbrandden. Hier sloegen duizenden mensen op de vlucht, opgejaagd door gewapende bendes, hun huis vaak brandend achterlatend. Hier zijn nog altijd de meeste ontheemdenkampen gevestigd, in jargon ‘IDP camps’ geheten (IDP = Internally Displaced Persons, de term vluchteling mag niet gebruikt worden, omdat dat impliceert dat mensen nooit meer terug kunnen naar de plek waar ze vandaan komen).

Nieuws dat nooit tot Nairobi is doorgedrongen, laat staan tot de rest van de wereld:
* meer kerken zijn in vlammen op gegaan, niet alleen die ene kerk die een symbool werd voor hoe ver Kenya aan het afglijden was
* niet alleen Kikuyu (vaak geportretteerd als de stam van de heersende klasse, de bevolkingsgroep waar alle andere Kenyanen het op gemunt hadden) hebben hun toevlucht gezocht tot de ontheemdenkampen, er bestaan ook nog altijd IDP camps voor Kalenjin (de bevolkingsgroep die in deze regio in de meerderheid is)
* de crisis heeft sommige gemeenschappen compleet verdeeld achtergelaten; Kikuyu kinderen mengen zich op de scholen niet meer met Kalenjin jongeren en vice versa; kerken zijn gesplitst, Kalenjin vieren de mis in het ene gebouw, terwijl Kikuyu elders in gebed samenkomen
* Eldoret is na zonsondergang compleet uitgestorven, alsof de inwoners een vrijwillige avondklok hebben ingesteld; de crisis mag dan ‘opgelost’ zijn, niemand durft nog in het donker de straat op

Voor de Coalition for Peace in Africa (COPA) was ik in Eldoret, om te assisteren bij een Trauma Awareness Workshop. Het COPA secretariaat mag dan in Nairobi gevestigd zijn, nooit was er de noodzaak om in het gastland activiteiten te ontplooien. Tot nu. Het recente geweld in Kenya was voor COPA aanleiding om een Kenya-programma in het leven te roepen, gericht op die regio’s die het zwaarst getroffen zijn. Daarbij wordt de expertise van de COPA leden op het gebied van trauma healing, verzoening en peace keeping ingezet. De workshop Trauma Awareness moet leiders van de lokale gemeenschappen (zoals kerkleiders, maar ook vertegenwoordigers van vrouwengroepen) instrumenten geven om de diepe wonden van hun achterban te helpen genezen. Alleen zo kunnen de onderhuidse spanningen langzaam oplossen en kan de geweldsspiraal doorbroken worden. Zonder adequate aandacht voor hun trauma’s worden de slachtoffers van vandaag anders de daders van morgen.

In Eldoret en omstreken is werkelijk iedereen zwaar getraumatiseerd. Zonder uitzondering tekenen de deelnemers tijdens de workshop de meest gruwelijke symbolen van het geweld en delen ze hun aangrijpende verhalen. Geweren, panga’s (kapmessen) en pijl en boog spelen een hoofdrol. Allemaal hebben ze dode slachtoffers in de straten zien liggen, schijnbaar achteloos achtergelaten – mensen durfden de lichamen van hun geliefden niet op te halen om ze een fatsoenlijk begrafenis te geven. Allemaal hebben ze vreselijke verminkingen van de dode lichamen gezien: onthoofde lichamen, door dieren aangevreten lichamen. En allemaal mijden ze nu die ene plek, bang als ze zijn voor die beelden die op hun netvlies gebrand staan.

Beelden die ook het Nederlandse nieuws hebben gehaald en die hier in Eldoret een diepe indruk hebben achtergelaten: die ongekend agressieve jongerenmassa’s, die huizen die schijnbaar willekeurig in vlammen opgingen, die brandende kerk vol mensen, die jongen met de pijl in zijn hoofd, die peuter huilend op bed terwijl zijn moeder levensloos in een plas bloed op de grond ligt.

En dan zijn daar de zware persoonlijke verliezen: een vrouw heeft haar man en haar neef verloren, een man zag zijn eigen huis in brand gestoken worden, een andere man ontdekte het lichaam van zijn vriend tussen een stapel doden in het mortuarium.

Allemaal nikubaya (= bad news), zoals een van de deelnemers het samenvatte. Toch hebben al deze mensen de kracht en de energie om de confrontatie met hun eigen trauma’s aan te gaan en om vervolgens hun ervaring en kennis met hun eigen gemeenschappen te gaan delen. Hun geloof in de toekomst is immens, hun liefde voor hun vaderland is oneindig groot. En juist in de week waarin Kibaki en Raila weer met elkaar overhoop liggen, dit keer over het aantal ministersposten en de invulling ervan, ligt de hoop voor Kenya hier, op grass roots niveau.

Tuesday, 25 March 2008

Kraamvisite

Goede Vrijdag is in Kenya een officiële feestdag, dus we hadden een lekker lang Paasweekend voor de boeg. Een mooie gelegenheid om ‘even naar de sneeuw’ te gaan. Sneeuw in Afrika? Jazeker, de beroemdste (en hoogste) berg van Afrika, de Kilimanjaro, heeft een eeuwig besneeuwde top. Al is die vaak in nevelen gehuld.
De berg zelf ligt in Tanzania, maar het mooiste zicht op de Kili heb je vanuit Amboseli in Kenya. Amboseli is een van de beroemde nationale parken van Kenya, het decor voor een klassieke Afrikaanse safari. Bush camp, kampvuur, gamedriven, dat alles met zicht op dé piek van Afrika. Als je geluk hebt. Zoals elders ‘op safari’ de gidsen en reizigers elkaar op de hoogte houden waar zich het wild bevindt, zo is hier het zicht op de Kili het onderwerp van gesprek. Zodra de wolken optrekken voel je de opwinding bij de safari-gasten toenemen.

De heenweg beloofde al veel goeds. We waren laat en zouden in het donker aankomen. Nooit fijn om bijna op de tast je tent te moeten opzetten, maar dat gevoel werd onderweg al meer dan goed gemaakt door de spectaculaire zonsondergang. Daarna trakteerde Moeder Natuur ons op een adembenemende lichtshow: volle maan, overal aan de horizon bliksemflitsen die de wolkenpartijen doen oplichten en als uitsmijter de sneeuw van de Kili die in het maanlicht reflecteert. En wat is er mooier dan bij zonsopgang je tent uit te komen en oog in oog te staan met die beroemde top?

Amboseli had al flink wat regen gehad – in Kenya beginnen in maart de zogenaamde ‘long rains’, het belangrijkste regenseizoen. Het park was groen en moerassig, maar bovenal één grote kraamkamer. Zoals overal volgt er ook in Amboseli een babyboom op het moment dat er voldoende voedsel beschikbaar is. En dat is vooral heel aandoenlijk en schattig, om al dat jonge grut hun eerste voorzichtige stappen in de wereld te zien zetten. Onze klassieke safari bleek dus vooral een kraamvisite te zijn!



Friday, 21 March 2008

De grote verhuizing

Een nieuwe start in een totaal ander land is natuurlijk niet echt zonder wat spullen te verschepen. Lang niet alles mocht of kon mee als mijn persoonlijke bagage in het vliegtuig, dus stuurde ik dat via air cargo alvast vooruit. Simpel: je brengt het naar het bagagecentrum op Schiphol, vult wat formulieren in, betaalt de transportkosten plus 35 euro handling fee en staat na een kwartier weer buiten. In mijn geval in de wetenschap dat mijn air cargo bijna tegelijkertijd naar Nairobi zou vliegen. Ik met Swiss Air, de goederen met KLM.
De ochtend na mijn aankomst in Kenya ontvang ik keurig volgens afspraak een telefoontje van Kenya Airways (partner van KLM) dat de spullen zijn aangekomen. Of ik ze maar even op wil komen halen op het vliegveld. So far so good.

Nairobi Cargo Centre op Jomo Kenyatta Airport. Dat klinkt best cosmopolitisch. Maar het blijkt een ondoorzichtig labyrint van duistere kantoortjes, gangen, trappen en hallen te zijn, die in een onverklaarbare volgorde moeten worden bezocht. Maar gelukkig zijn daar de fixers, in het bezit van een officiële vliegveld-pas, die als magneten op de mzungu (blanke) afkomen. En de hele tijd heb ik het gevoel dat dit een typisch staaltje van typecasting is: mzungu betekent hier vooral kassa! Wat vast ook niet helpt, is dat ik arriveer in het gezelschap van twee locals, een chauffeur en mijn lief. Dus storten zich maar liefst twee fixers op het helpen inklaren van mijn goederen.

Mijn begeleiders krijgen tegen inlevering van hun ID een visitor’s pas. Vreemd genoeg mag ik die procedure overslaan, want mijn paspoort is nodig voor het inklaren. We worden allemaal gefouilleerd, de eerste keer van talloze malen. En dan begint de onbegrijpelijke ronde langs loketten en kantoortjes. De fixers doen het prima, de officiële papieren zijn in no time gevonden en binnen het uur hebben we een flink aantal stappen in de goede richting gezet. So far so smooth.

In de ontvangsthal staan mijn dozen netjes op een pallet te wachten. Een douane beambte komt de spullen persoonlijk inspecteren. Doos voor doos moet open. Voor de grofheid waarmee mijn spullen worden betast sluit ik maar even mijn ogen. Maar ook de inspectie verloopt vlot. Niets staat een verdere snelle afhandeling in de weg.

Wat dan volgt is een dag van Afrikaans wachten, en vooral veel Afrikaans discussiëren. Is wat de fixers doen al onbegrijpelijk, wat ze precies van me willen is al helemaal niet te verklaren. Letterlijk, want ondanks talloze verzoeken kunnen ze het buitensporige bedrag waarmee ze op de proppen komen niet rechtvaardigen. Twaalfduizend shilling willen ze, grofweg 120 euro, waarvan slechts 1750 shilling echt te verklaren zijn (handling fee plus administratiekosten).

Die betaal ik en verder is het een welles-nietes spelletje, een schaakspel van aantrekken en afstoten. Met een behoorlijke patstelling. Zij beweren mij hoge invoerrechten te besparen, en willen dat verschil delen. Plus wat ondefinieerbare uitgaven bij me claimen.
Ik weet zeker dat ik al mijn spullen onbelast mag invoeren, het gaat slechts om ‘personal effects’: kleding, boeken en wat kampeerspullen, allemaal gebruikt. Geen dure spullen of fancy electronica, niets met een hoge handelswaarde.
Natuurlijk wil ik ze belonen voor hun hulp, maar dik tienduizend shilling (circa 100 euro) vind ik een extreem hoge verdienste voor een halve dag werk. Als ik ze vertel waarom ik naar Kenya verhuis en dat ze de helft van mijn maandelijkse vergoeding van me vragen (al is dat gechargeerd), valt hun mond open van verbazing. Een mzungu zonder een dikke portemonnee, dat kwam in hun belevingswereld nog niet voor.

Uiteindelijk worden alle dozen na een ellenlange lunchpauze en nog een uur van eindeloos stempelen vrijgegeven. En protesteren de fixers wel als ik ze hun beloning geef, maar niet tegen mij. Dat doen ze heel subtiel in het Swahili bij mijn lief. Om vervolgens een lift terug naar Nairobi te vragen. Blijkbaar hebben ze tóch genoeg verdiend die dag.

Thursday, 20 March 2008

Afrikaans poppenhuisje


Jamhuri 2. Vanaf nu is dat mijn thuis. Ergens in zuid-west Nairobi, tegen de sloppenwijk Kibera aangeplakt, gelegen aan de bekende Ngong Road, de weg die grofweg van downtown Nairobi naar de blanke enclave Karen voert (het territorium van hen die in de volksmond KC’s of Kenyan cowboys heten) en verder naar de Ngong Hills loopt.

Jamhuri 2 is een middenklasse wijk, bevolkt door ‘mixed tribes’. Dat betekent dat de meeste huizen eigendom van de bewoners en zelf gebouwd zijn, wat een aardig ratjetoe aan stijlen oplevert, voor zover je dat achter de alom aanwezige muren, hekken en dikke stalen poorten kunt onderscheiden. Ieder paleisje is ook hier in een nauwelijks te nemen fort omgetoverd, de dagelijkse realiteit van wonen in Nairobbery.


Dat betekent niet dat de straatjes hier geasfalteerd zijn. De zijweg van Ngong Road (herkenningspunt voor als ik de matatu neem: op de hoek bij Ngong Posta, oftewel het postkantoor, dat overigens een van de eerste slachtoffers van de rellen in januari was en totaal is uitgebrand) is nog wel verhard, maar zodra je de wijk echt in gaat (herkenningspunt: na drie verkeersdrempels afslaan bij de Coca Cola kiosk) is het een echte Keniaanse dirt road vol hobbels en kuilen. Nog twee keer bij een Coca Cola kiosk (al net zo alom aanwezig) een zijpad in slaan en dan ben ik er echt, bij mijn Afrikaanse poppenhuis.

Zoals bijna overal in Kenya hebben de straten geen namen en de huizen geen nummers. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ik de locatie van mijn ‘residentie’ (in de woorden van de ambassade) op een plattegrondje c.q. routebeschrijving moest aangeven, toen ik me bij de Nederlandse ambassade registreerde als in Kenia woonachtige Nederlandse.


Voor ik dan echt van mijn poppenhuisje kan genieten, moet ik nog twee horden nemen. Eén: de enorme stalen poort, afgesloten met een megagroot hangslot, waarvan ik nog altijd niet de sleutel heb. Twee: mijn ‘eigen’ voordeur, ook afgesloten met een megagroot hangslot, waarvan alleen ik de sleutel heb. Voor horde één heb ik het telefoonnummer van Julius de askari, de bewaker, een Tanzaniaanse Masai die werkelijk geen woord Engels spreekt. Een consequente en constante stroom Swahili komt mijn kant op, waar ik nauwelijks iets van begrijp. Vooral aan de telefoon is dat erg grappig. Ik heb de gewoonte om me te introduceren als de ‘mzungu neighbour’ (de blanke buurvrouw), waarop een “Sawa” (OK!) volgt. En iedere keer komt hij dan uit de vreemdste hoeken met de sleutel te voorschijn. Vaak vraagt hij waar mijn rafiki (vriend) is. Of zoiets.


Behalve Julius is er nóg een askari, maar die bevindt zich achter de poort, op de compound. De hond luistert simpelweg naar de naam Doggy en ziet er scharrig uit, met een bijzonder droevige blik in de ogen. Na twee dagen begint het beest gelukkig aarzelend te kwispelen in plaats van agressief te blaffen bij mijn aanblik. Doggy heb ik tenminste een beetje Nederlands kunnen leren, want “Goed volk!” begrijpt hij helemaal. Zelf mijn rafiki wordt inmiddels voorzichtig kwispelend begroet.


Op de compound ga ik een steegje door langs het huis van Martin de huisbaas. Dan staat er op een smal grasveldje met waslijnen het piepkleine guest house, oftewel mijn Afrikaanse poppenhuisje. Niet ruim, maar wel naar goed Keniaans gebruik helemaal volgepropt met grote, robuuste meubels. De keuken is zo ieniemini, dat de koelkast in de zithoek is ingepast. De slaapkamer is zo klein, dat ik er niet eens een behoorlijke foto van kan maken. Maar het bed is dan weer zo groot, dat ik er makkelijk overdwars en diagonaal in kan liggen.


Een koelkast, tweepits gasstel, electriciteit en koud water, dat zijn de voorzieningen. In de badcel (‘kast’ is misschien een betere omschrijving) heb je links het toilet en rechts de douche. Die ik onmiddellijk in een Afrikaanse douche heb omgetoverd. Want bijna iedere Keniaan die ik ken wast zich met water uit een teiltje.
Een van mijn belangrijkste investeringen hier was een waterkoker. De eerste actie ’s ochtends is water koken en dat in een grote teil gieten. Gemengd met koud water levert dat een aangenaam bad op. Met een klein kannetje giet ik het water over mijn lijf, zeep me in en spoel me af. Net zo schoon en in ieder geval een stuk comfortabeler dan een koude douche.


Het gasstel werkt nog niet, dus eten koken (of beter: het diner organiseren) vergt een hoop improvisatie en creativiteit. Het peertje in de badkamer is stuk, in de zitkamer en de slaapkamer zijn de lampen maar liefst 100 Watt sterk. De gordijnen zijn opgemeten, maar moeten nog geregeld worden. In de slaapkamer hangt provisorisch een dekbedovertrek voor het raam, met behulp van een waslijntje en knijpers. In de zitkamer is het met het felle licht en de ontbrekende gordijnen net alsof je in een etalage zit.


Maar! Ik weet inmiddels precies bij welke kiosk ik moet zijn voor groente, fruit, beltegoed, of andere eerste levensbehoeften. Alle buurkinderen zwaaien naar me of komen een handje geven. Buurvrouwen groeten me met een vrolijk “Habari!” of “Hello, how are you!” Al mijn spullen hebben een eigen plekje gevonden in een van de kamers. Het mag dan een kleine ruimte zijn met voor Westerse begrippen weinig luxe, maar het is wel al helemaal mijn eigen stek. Mijn Afrikaanse poppenhuisje!



Thursday, 13 March 2008

Karibu Kenya!


In een zo goed als verlaten toestel vlieg ik van Zurich naar Nairobi. Ik voel me vervreemd, de afscheidstranen zitten nog altijd hoog. Wezenloos staar ik urenlang door het raam en zie het landschap onder mij veranderen. Op de grens tussen Egypte en Sudan komen we in de Oost-Afrikaanse tijdszone. De Nijl slingert als een vruchtbaar lint door het verder dorre landschap.

Schemering is net overgegaan in donker als we de landing inzetten. Eindelijk zet ik weer voet op Keniaanse bodem. Eerste prioriteit: beltegoed kopen. En dan op naar de paspoortcontrole. Al in het vliegtuig had ik mijn inreisformulier ontvangen en ingevuld. Toch nog best lastig, want wat vul je in bij je ‘country of residence’ als je net Nederland voor minimaal twee jaar verlaten hebt? En wat zeg je als ze je vragen hoe lang je in Kenya gaat blijven? Mijn plannen zijn gelukkig allemaal geen probleem, ik mag in ieder geval drie maanden blijven. “Welcome to Kenya!”

Een handjevol mensen staat bij de bagageband te wachten. Geen toeristen dit keer, vol opgewonden verwachting over de safari die komen gaat. Slechts Kenianen op weg naar huis en mensen met een missie- zakelijk of religieus of non-gouvermenteel.
Normaal ben ik een Queen of Travelling Light en volstaat één kleine rugzak. Nu haal ik maar liefst vier volgepropte koffers en tassen van de band. En natuurlijk word ik er uitgepikt door de douane. Gelukkig ken ik de edele kunst van het Afrikaans converseren al een beetje. Een spel van vraag en antwoord, met uitwisseling van heel veel beleefdheden vóórdat er tot het eigenlijke doel van het gesprek wordt overgegaan. Dus praten we over de situatie in Kenya en dat ik eigenlijk al in januari had willen komen. De douanier wijst op het olifantje dat aan mijn kettinkje met lucky charms hangt. De olifant als geluksbrenger, ik bevestig dat ik die ketting speciaal vandaag draag, zeker omdat de olifant voor mij symbool staat voor Kenya. Hij vindt het prachtig. Oh ja, of ik toevallig ook iets aan te geven heb? Nee? Welkom in Kenya dan!

Ook de aankomsthal is opvallend rustig. Geen gedrang en geschreeuw zoals gebruikelijk – het heeft nu geen zin om hier toeristen proberen te ronselen, want ze zijn er toch niet. Een on-Afrikaanse aankomst, voor mij persoonlijk wel prettig, maar pijnlijk als je bedenkt hoeveel Kenianen op de inkomsten zitten te wachten die de toeristen met zich meebrengen.

In de auto op weg naar het hotel hoor ik een flard van het radionieuws. Het gaat over “Prime minister Raila Odinga” en dat klinkt met zo’n vanzelfsprekendheid, dat het bijna lijkt of deze functie niet pas onlangs in het leven is geroepen. Bijna zou je vergeten dat het akkoord eigenlijk nog heel pril is.

Het hotel is mijn tijdelijke thuis. Hier mag ik een paar dagen acclimatiseren voordat ik in mijn huisje trek. Ik installeer mijn iPod en boxjes op het nachtkastje en zet de muziek op ‘shuffle’. Bij ieder nieuw nummer denk ik dat het ‘Club Tropicana’ van Wham! is. Tot het tot mij doordringt dat het intro van buiten klinkt – het zijn de krekels die een live concert geven. De geluiden van de Afrikaanse nacht! En bij die geluiden horen ook onmiskenbaar de eindeloos blaffende en jankende honden. Al besef ik dat pas als ik ze hoor – je mist ze niet, tot ze zich roeren. Pas dan weet ik: ja, nu ben ik écht in Nairobi. Tevreden droom ik weg.

Thursday, 6 March 2008

A sort of homecoming?

“Ik weet precies wat je bedoelt, hoe Afrika je kan grijpen. Ik heb het ook wel in sommige Aziatische landen ervaren, boeddhistisch Thailand / Laos / Cambodja, dat je geraakt wordt door de schoonheid van het land en van de mensen en hun gastvrijheid. Maar nooit zo diepgaand als in Afrika, dat lijkt gewoon helemaal te passen, daar alleen heb ik een ongelooflijke klik met de mensen lijkt het wel. Is dat thuiskomen? Of kan dat alleen maar omdat er ergens anders een echt thuis is? Anders gezegd: wordt dat overweldigende gevoel van ‘nu moet ik blijven’, niet opgeroepen juist omdat wij slechts passanten zijn?”
(e-mail aan een vriend d.d. 13 april 2006)

Van passant tot inwoner.
Afrika, Kenya, Nairobi, wordt mijn nieuwe thuis.
Woensdag 12 maart (eindelijk!) vlieg ik over de Alpen, de Middellandse Zee en vervolgens de Nijl zuidwaarts. Maar is het ook huiswaarts? Ga ik me er echt thuisvoelen, nu ik er voorlopig ‘moet’ blijven? Hoor ik echt bij Afrika, en hoort Kenya bij mij?

Een achtbaan vol emoties raast als vlinders door mijn buik. Het wachten op mijn vertrek duurde lang genoeg. Maar het afscheid nemen, dat moment van alles in Nederland achter me laten, nu echt, is toch wel heel spannend en (laat ik eerlijk zijn) emotioneel. Gelukkig weet ik dat mij in Kenya een warm welkom wacht – door Skillshare, door COPA en niet in de laatste plaats door mijn lief.