Saturday, 11 April 2009

Klein Afrika

Even zijn we geen welwillende vreemden, maar vrienden. Vrienden in een waterballet, als er na vier weken eindelijk weer water uit de kraan stroomt in ons appartementengebouw. Iedereen loopt euforisch de trappen op en neer, met natte haren van het douchen, met was die weken geleden al een sopje nodig had, of met volle emmers om de auto eens een goede poetsbeurt te geven. Behalve de obligate begroetingen die we normaal gesproken uitwisselen blijken we nu ook een praatje te kunnen maken. Hoera, er is weer water (ook al is het niet schoon, dus we blijven gedwongen met volle jerrycans van elders slepen om zonder risico voor onze gezondheid te kunnen koken en afwassen).

Elk appartementengebouw is een micro-kosmos, een wereld op zich met zijn eigen opmerkelijke bewoners en gewoontes. Het gebouw waar ik woon is daar geen uitzondering op – dat is Klein Afrika, met een licht Europees tintje. Voor dat laatste ben ik verantwoordelijk.
Maar de Afrikaanse invloed rijkt verder dan de Keniaanse buren. Auto’s met Ugandese en Tanzaniaanse nummerplaten voor de poort. Een Congolese buurman, verstrikt in onfrisse zaakjes. Verderop een goudhandelaar uit Kameroen, al bijna net zo onfris. En in de wijde omtrek ontelbaar veel Ehtiopiërs, die bijna de hele middenstand in Jamhuri domineren, en Sudanezen, die van de vergoeding die de vluchtelingenstatus hen geeft ruim kunnen leven in deze middenklasse wijk.

De Tanzaniaanse auto is als een kostbaar juweel, dat meer wordt opgepoetst dan gebruikt. Eigenaar is mijn Masai-buurman, vanuit Tanzania naar Nairobi getrokken, net zoals alle Masai nachtwakers die in Jamhuri dienst doen. Af en toe wordt de auto uitgelaten, door buurman en al zijn vrienden. Stapvoets cruisen ze ermee door de wijk, voor zover als ze de benzine kunnen betalen. Bongo flava (de hippe Swahili muziek uit Tanzania die ook de Keniaanse trendy scene domineert) schalt uit de boxen en de open ramen, kortom, in potentie is het een echte babe-magneet. Alleen jammer dat de auto niet ver komt. En dat hij meestal met hulp gestart moet worden – met hulp van startkabels en onze eigen bolide.

Uganda is met twee auto’s vertegenwoordigd. Eigendom van de Congolese buurman, die met zijn Ugandese vrouw een appartement op de begane grond bewoont. En van daaruit zijn imperium bestiert. Dat vergt vooral heel veel telefoontjes, die gedwongen door het slechte bereik binnenshuis, in de buitenlucht, vlak onder mijn raam, worden gevoerd. Soms in het Swahili, soms in het Engels, soms in het Frans, soms in een lokale Congolese taal. Met onze gezamenlijke talenkennis komen mijn lief en ik een heel eind in het ontrafelen van zijn duistere zaakjes. Wat er precies verhandeld wordt, blijft onduidelijk, maar het gaat om schimmige partijen, waar altijd een connectie met Dubai in voorkomt. En ‘de goederen’ komen uit Congo, maar krijgen dankzij buurman’s contacten officiële Keniaanse uitvoerpapieren. Ivoor? Tropisch hardhout? Goud?

Goud is een gouden business, want ook Monsieur Cameroun handelt in dit edelmetaal. Hij spreekt mij op straat aan, in het Frans, in de hoop dat dat ook mijn moedertaal is. Van de koetjes en kalfjes doet hij me binnen vijf minuten eerst een romantisch en als dat niets uithaalt een zakelijk voorstel. Of het allemaal legaal is wat hij doet, blijft de vraag. Ik besluit niet naar antwoorden te zoeken, maar deze mijnheer op een vriendelijke afstand te houden.

De Keniaanse buurman daarentegen voegen we onmiddellijk aan ons netwerk toe. Want hij is in het bezit van een Nissan-busje, het meest gebruikte vervoermiddel voor toeristen. Wie weet is hij op een dag op zoek naar een chauffeur, of kunnen wij zijn busje voor een van onze reizen gebruiken. Maar het kost ons heel wat gepuzzel voor we zover zijn. Het duurt maanden voor we de juiste connectie gevonden hebben – het Nissan-busje staat overduidelijk voor onze poort geparkeerd, de buurman groeten we vele malen bij het passeren op de trap, maar als bij toeval weten we uiteindelijk de link tussen de twee te leggen.

De andere appartementen in het complex zijn vrouwenbolwerken. Met mijn gebrek aan ervaring in de sociale verhoudingen in Kenia en met mijn nog altijd schrikbarend geringe kennis van het Swahili, is het mij lang niet altijd duidelijk hoe die gezinnen zijn samengesteld. Wie is de moeder (vrouw des huizes), wie de zus of tante, wie de house girl en wie de dochter? De dames die in de lome middaguren op de compound samen groepen om eens lekker in het Swahili te roddelen, zijn in ieder geval house girls, huishoudelijke hulpen. Niet dat die wetenschap veel helpt, want alle buren hebben de neiging om die meiden iedere paar maanden te vervangen – net als ik een beetje door begin te krijgen wie wie is.

Gelukkig spreekt de luidruchtigste buurvrouw van het hele gebouw voornamelijk Engels. Deze dame heeft laten we zeggen een zeer gezond sex-leven, of tenminste, dat wil ze haar minnaar doen geloven. En wij mogen daar (heel on-Kenyaans) van meegenieten. Alsook van de ontelbare ruzies die ze met dezelfde mijnheer uitvecht. De strijd draait altijd om dezelfde thema’s: geld, geld, geld en zijn gebrek aan aandacht en inlevingsvermogen. En dan komen de gemene verwijten. Zo blijkt de heer in kwestie samen met deze dame hier in Nairobi van het leven te genieten, terwijl hij elders vrouw en kinderen heeft. Tegen de tijd dat er schoolgeld betaald moet worden, rekenen wij alweer op een volgende jaloerse uitbarsting van de lawaai-papegaai. Ondanks haar status als minnares en tweede vrouw, is ze vast van plan om deze heer via een huwelijk voorgoed aan zich te binden, want ze is ‘soooooo happy’ – zoals ze tegen al haar vriendinnen door de telefoon gilt. Maar het lukt de twee niet om de zegen van hun familie te krijgen, goed voor een nieuwe serie explosies. Wordt ongetwijfeld (heftig) vervolgd.

Al zolang ik in Kenya woon, is het er nog niet van gekomen een televisie aan te schaffen. En eigenlijk is dat ook helemaal niet nodig. Want de verslavende soap speelt zich bijna dagelijks onder mijn slaapkamerraam af – de mysterieuze meertalige telefoongesprekken van de Congolees, de oergeluiden die mijn buurvrouw voortbrengt, of de heftige ruzies die zij met haar geliefde voert. Ademloos volgen we alle drama’s vanuit de veiligheid van ons bed.
Buren! Frans Bromet zou zijn vingers er bij aflikken.

Friday, 6 March 2009

Hartverscheurend


Nefisa. Zomaar een meisje uit Kibera. Of eigenlijk niet zomaar een meisje, maar eentje uit de buitencategorie. Een dame die boven de massa uitstijgt: briljant, mooi & slim - een fonkelende diamant in de dop, nog een beetje ruw en ongeslepen, maar met een enorm potentieel. Als laatst geborene de oogappel van haar moeder en de rest van het gezin. Populair bij haar klasgenoten én bij haar leraren, vanwege haar slimheid en vanwege haar scociale instelling. Met haar 18 jaar lag de toekomst helemaal voor haar open.

Vol overtuiging stond ze in het leven. Met diezelfde overtuiging nam ze deel aan een van onze workshops in Kibera, waarin we de jeugd trainden in conflict transformatie (positief omgaan met conflicten). Nefisa was een model-deelneemster. Zo eentje die je hoop geeft voor de emancipatie van de Keniaanse vrouw én voor de toekomst van de sloppenwijk Kibera.

Zoveel potentie... en dat alles was in één klap weg. Nefisa is donderdagochtend gestorven, aan een ziekte die ze niet had.

Dit is weer een voorbeeld van de onmacht die ik voel als het gaat om de Kenyaanse gezondheidszorg. Dat er iets mis was met Nefisa, dat was duidelijk. Al bijna twee weken gleed ze in en uit een coma. Ze had de allerbeste zorg nodig, maar kwam vanwege de financiële omstandigheden van haar familie niet verder dan het staatsziekenhuis, Kenyatta National Hospital. Het ziekenhuis waarvan de Lonely Planet toeristen aanraadt om het vooral met een grote boog te vermijden. Het ziekenhuis dat ik inmiddels ook langs heb horen komen tijdens de trauma sharing sessies in Eldoret – de naam alleen al werkt traumatiserend. Maar hoe verschrikkelijk veel Kenyanen dit ziekenhuis ook vinden, vaak hebben ze geen alternatief. Omdat ze betere zorg gewoonweg niet kunnen betalen.

Nefisa kreeg alle mogelijke tests en scans. Maar de dokters konden niets vinden. En dus kwam Nefisa ergens in de loop van die twee weken weer thuis, in de volle overtuiging van haar familie dat zij beter voor haar konden zorgen dan de overbelaste verpleegsters in het Kenyatta ziekenhuis.

Dinsdagavond ging het mis. Het dichtstbijzijnde hospitaal waar ze in allerijl heen werd gebracht bleek niet eens faciliteiten om te reanimeren te hebben. Dus moest Nefisa per ambulance met spoed opnieuw naar het verder gelegen Kenyatta. Voor die ambulance service en de bijbehorende opname op de intensive care moest haar familie wel eerst de rechten op hun lapje grond in Kibera als onderpand geven. Nefisa werd met succes gereanimeerd en leek op de intensive care langzaam te herstellen van die nog altijd onbekende aandoening. Die haar uiteindelijk donderdagochtend alsnog fataal werd.

Vandaag was de begrafenis, geheel volgens moslim-traditie binnen 24 uur. Het moment waarop Nefisa’s lichaam haar familie’s compound werd uitgedragen, op weg naar de moskee en uiteindelijk haar graf, was hartverscheurend. Alle vrouwen bleven traditiegetrouw achter, onder luid geweeklaag en gehuil. Iedereen was totaal verslagen.

Het nieuws van Nefisa’s overlijden kwam ook bij mij ongelooflijk hard aan. Gewoon, omdat ze nog niet eens in de bloei van haar leven was. En zo talentvol was. En omdat het zo onrechtvaardig is dat ze niet de zorg kon krijgen die ze nodig had.
Nefisa had zoveel meer verdiend in dit leven.

NB: Vanaf nu ga ik mijn blog-leven echt beteren. Ik was een behoorlijke tijd uit de lucht, vanwege een Europees virus dat blijkbaar ook in Afrika bestaat – “drukdrukdruk”. Veel sociale gebeurtenissen (de weekenden waren een aaneenschakeling van bruiloften en andere festiviteiten) en heel veel ‘dienstreizen’, binnen & buiten Kenia (Uganda, Ierland). Never a dull moment in & out of Africa, maar soms is een pas op de plaats met wat tijd voor reflectie broodnodig. Vanaf heden hopelijk meer rust & reflectie. En dat leidt automatisch tot meer blogs!

Monday, 3 November 2008

De waarheid, de geheime envelop en Obama's helende kracht

Kenya commissieland. Moet er iets tot op de bodem uitgezocht worden, welk schandaal of welke crisis dan ook (en daar heeft Kenya er veel van), dan wordt onmiddellijk een commissie ingesteld. Of dat echt effectief is, valt te betwijfelen. De gewone man/vrouw in de straat denkt over het algemeen met een grote zucht: “Nee hè, niet wéér een commissie.” Want commissies produceren dikke rapporten, die vervolgens nog dikkere lagen stof vergaren. En na een kleine rimpeling in de vijver gaat het leven gewoon door, of er niets gebeurd is.

Maar er is dit jaar natuurlijk heel wat gebeurd in Kenya. PEV, Post-Election Violence, het ongekende geweld dat na de verkiezingen uitbrak, houdt nog steeds de gemoederen bezig. Met dank aan de vuistdikke rapporten van maar liefst twee commissies: Kriegler en Waki.

Eerst was er het rapport van de commissie Kriegler, een internationale commissie onder leiding van de Zuid-Afrikaanse gepensioneerde rechter Kriegler, ingesteld door Kofi Annan als onderdeel van het vredesakkoord. Kriegler onderzocht de onrechtmatigheden rond de presidentsverkiezingen van december 2007. Niet het geweld, dat was het mandaat van die andere commissie, Waki. Kriegler concentreerde zich slechts op het electorale proces.

En zijn oordeel was zoals verwacht vernietigend. Vooral voor de ECK (Electoral Commission of Kenya), het orgaan dat verantwoordelijk is voor het ordentelijk verloop van die verkiezingen. Niet dat daar al koppen zijn gerold. In plaats van dat die commissie-leden hun conclusie trekken en de eer aan zichzelf houden zijn ze een PR campagne begonnen om zich te verdedigen, want hen treft natuurlijk geen blaam. Verder leggen ze hun lot in handen van de regering. En die regering doet er al twee maanden over om een definitief oordeel te vellen.

Dat weerhoudt politici er niet van om hun eigen mening te geven. De coalitiepartijen ODM en PNU zijn openlijk verdeeld over het lot van de ECK. Premier Raila Odinga (ODM) is voor een totale ontmanteling en opschoning van de ECK, minister en vice-premier Uhuru Kenyatta (PNU, zoon van Kenya’s eerste president Jomo Kenyatta) vindt dat absoluut niet nodig. Opmerkelijk genoeg hebben beide heren ambities voor de presidentspost tijdens de volgende verkiezingen in 2012 – Kenyatta openlijk, Raila niet publiekelijk, maar veel Kenyanen nemen voetstoots aan dat hij zich in de strijd zal mengen.

Overigens heeft Kriegler geen definitief oordeel gegeven over de uitslag van de presidentsverkiezingen, zich beroepend op het feit dat de echte winnaar door alle onrechtmatigheden niet meer is vast te stellen. Veel Kenyanen zijn daar uitermate verontwaardigd en ziedend over. Persoonlijk vermoed ik dat Kriegler heus wel weet wie er gewonnen heeft, maar dat opzettelijk heeft verzwegen, om de broze vrede te bewaren. Want wie hij ook had genoemd - dan was de pleuris in Kenya echt opnieuw uitgebroken.

Al is de pleuris verbaal al wel een beetje uitgebroken, dankzij het rapport van die andere commissie, Waki. Waki en de zijnen hebben zich verdiept in de gewelddadigheden die na de verkiezingen uitbraken en die Kenya op de rand van een burgeroolog brachten.
Het Waki rapport verscheen een dikke twee weken geleden en wordt sindsdien integraal als feuilleton gepubliceerd in de krant The Daily Nation, onder de veelzeggende titel “De Waarheid”.

Of het de hele waarheid is, valt te betwijfelen. Want het rapport is gebaseerd op getuigenissen. En behalve die Kenyanen die uit hoofde van hun functie zijn opgeroepen (en dat konden weigeren, voormalig president Moi is bijvoorbeeld niet op het verzoek van Waki ingegaan), moest de gewone burger zich vrijwillig bij de commissie melden om te getuigen. Ook al is het verhaal niet compleet, de gebeurtenissen die in het rapport worden weergegeven zijn schokkend genoeg. Vernielingen, verminkingen, verkrachtingen, folteringen, brandstichting – vaak met de dood tot gevolg. Het officiële dodental is volgens het rapport 1133 – met de aantekening dat veel doden niet gerapporteerd zijn, dus het werkelijke aantal ligt hoger (over het algemeen gaat men van zo’n 1400 dodelijke slachtoffers uit).

Daarvan komen er volgens het rapport 450 (!!!) voor rekening van de politie. Om het nog stuitender te maken: veel slachtoffers van politiekogels zijn in de rug geschoten, een teken dat ze op de vlucht waren. De politie heeft bovendien veel vrouwen verkracht als ethnische vergelding - vrouwen die van een vijandelijke 'stam' waren, vaak voor de ogen van hun man en kinderen. Typisch is dat alle politiemensen die voor de commissie getuigd hebben, ook de hoogste baas, geen record hadden van gender based violence zoals verkrachting. Volgens de politiestatistieken waren er zelfs helemaal geen verkrachtingen ten tijde van de Post Election Violence. Volgens andere getuigen heeft de politie categorisch geweigerd om aangiftes van verkrachting op te nemen.

De politie is etnisch gemixed, maar de reactie van de agenten verschilde per regio en wie ze tegenover zich hadden - stamgenoten of andere ethnische groepen. Er zijn getuigenissen over politiemensen die weigerden levensgevaarlijk verwonde slachtoffers te hulp te schieten, vanwege hun etnische achtergrond. Agenten hebben hun mede-stamgenoten gewoon andermans huizen voor hun ogen in brand laten steken. En in sommige gevallen van arrestatie hebben de hoge bazen er voor gezorgd dat stamgenoten zo snel mogelijk weer vrij kwamen.

De politie ligt het zwaarst onder vuur in het Waki rapport. Maar de agenten zijn niet de enigen. Wie de anderen zijn, is echter niet bekend.
Kofi Annan, de architect van het vredesakkoord dat een einde maakte aan het geweld, heeft van Waki een verzegelde envelop gekregen met tien namen van prominente politici en invloedrijke zakenmensen, die door de commissie zijn aangewezen als de voornaamste aanstichters van het geweld. Daaronder ook ministers in het huidige kabinet (zowel van ODM als van PNU zijde) en parlementsleden. Er moet binnen zestig dagen een Kenyaans tribunaal in het leven worden geroepen, aan wie Annan de envelop nog steeds verzegeld overhandigt. Het tribunaal moet die tien aanstichters gaan berechten. Komt het tribunaal er niet, dan gaan de namen naar het Internationale Gerechtshof in Den Haag, die de zaak verder zal onderzoeken en zo nodig berechten.

Tja. En dan is het in Kenya vervolgens een kwestie van wachten. Wie het eerst zijn mond roert en het rapport openlijk naar de prullenmand verwijst, die maakt zich onmiddellijk verdacht als kandidaat in de geheime envelop. Landbouw minister William Ruto, ODM-vertegenwoordiger, was een van de eersten die geen goed woord over had voor het hele rapport. Al was hij de enige die openlijk toegaf dat zijn naam ongetwijfeld op Waki’s hotlist staat – natuurlijk alleen maar om zijn argumentatie kracht bij te zetten, om aan te geven hoe ongefundeerd het Waki-rapport wel niet is.

Coalitiepartners ODM en PNU zijn hopeloos verdeeld – prominente politici van beide zijden verdedigen het rapport en willen Waki’s aanbevelingen integraal uitgevoerd zien. Maar minstens zo veel ODM en PNU-politici nemen grote afstand van het rapport – met een enorme verscheidenheid aan eigenlijke en oneigenlijke argumenten. Ongrondwettig, leugenachtig, gebrek aan wederhoor, buiten het boekje, zijn slechts een paar van de kwalificaties die de politici gebruiken. Het ODM-kamp heeft democratisch besloten om het hele rapport af te schieten, zeer tegen de zin van premier Raila in, die een groot voorstander van de Waki-aanbevelingen is.
En de regering? Die zweet nog altijd op een officieel standpunt.

Een mensenleven is nog altijd niet veel waard in Kenya – volgens het Waki-rapport was de beloning die de aanstichters uitloofden voor succesvolle brandstiching 1000 shilling (grofweg 10 euro) en streken de raddraaiers 100 tot 200 shilling (1 à 2 euro) op voor hun gewelddadige protesten. Er schijnt volgens Waki zelfs een vergadering in het State House (het kantoor van de president) belegd te zijn met de Mungiki (Kikuyu sekte, getalsmatig het grootste volk van Kenya) om een aanval van vergelding voor te bereiden – gericht tegen de Luo, Kalenjin en Luhya, die het eerder op de Kikuyu gemunt hadden.

Het Waki-rapport geeft de complexiteit van de hele kwestie en de aanloop (en dat is al begonnen in de koloniale tijd!) goed weer. De algemene conclusie is dat het geweld grotendeels aangewakkerd en voorbereid is geweest en slechts voor een kleine gedeelte is toe te schrijven aan spontane protesten.

Het Kenyaanse conflict sluimert al decennia lang en heeft vele oorzaken. De politieke en economische ongelijkheid van de verschillende ethnische groeperingen in Kenya en het daaruit voortvloeiende tribalisme hebben de meeste aandacht gekregen. Maar de grote verschillen tussen arm en rijk, de ongekende macht van de president en de machtstrijd die dat met zich meebrengt (en die letterlijk over lijken gaat), de ongelijke verdeling van land (waarmee de Britten al in de koloniale tijd begonnen zijn) en andere natuurlijke hulpbronnen, de uitzichtloze positie van veel werkloze jongeren, geschoold of ongeschoold – het is slechts een greep.

Zo’n conflict los je niet op met een tribunaal en al helemaal niet met een rapport, waar echt iedereen een andere mening over heeft. Waki’s aanbevelingen zijn ongekend hard en vooral gebaseerd op gerechtigheid via rechterlijke wegen. Helaas is dat voor permanente vrede niet de beste route. Dialoog is vaak een betere optie: de bevolking met elkaar in gesprek brengen en ze samen laten bepalen op welke manier gerechtigheid bereikt kan worden – bij wijze van spreken door het betalen van een geit in plaats van gevangenisstraf. Dan hebben de betrokkenen echt het gevoel dat gerechtigheid is geschied, neemt de roep om wraak af en wordt de spiraal van geweld doorbroken. In Rwanda bijvoorbeeld zijn bepaalde Tutsi-moordenaars door de bevolking 'veroordeeld' tot het onderhouden van de families van degenenen die ze van het leven beroofd hebben. Restorative justice (met de nadruk op het herstellen van de menselijke verhoudingen) in plaats van retributive justice (met de nadruk op vergelding door straffen).

Verzoening... langzaam komt dat woord ook in het vocabulaire van sommige politici voor. President Mwai Kibaki (PNU) was de trendsetter, toen hij de natie toesprak tijdens Kenyatta dag, een van de belangrijkste nationale feestdagen. En zelfs Martha Karua, ook PNU, minister van justitie en tot voor kort een van de felste verdedigers van de keiharde aanpak, promoot nu openlijk restorative justice.

Maar wie weet komt de echte verzoening wel uit westelijke hoek... de Verenigde Staten. Want Kriegler en Waki hebben uitstel van executie gekregen: alle ogen zijn voor even op Kenya’s zoon Barack Obama gericht.

Het Kenyaanse conflict heeft zoals gezegd meerdere oorzaken. Met grote verschillen in accenten als je naar de diverse bevolkingsgroepen kijkt. Voor de Luo, het grootste volk van Kenya na de Kikuyu, is de pijn vooral politiek. Veel Luo-leiders zijn in het verleden op mysterieuze wijze vermoord of onrechtmatig op een zijspoor gezet, waaronder de vader van Raila Odinga. Met ‘het verlies’ van de presidentsverkiezingen vorig jaar is er nog meer zout in de Luo-wonden gewreven. In hun eigen woorden: “Zijn wij niet goed genoeg om dit land te leiden?”

De Luo-wraak is zoet als Obama, zoon van een Luo en neef van Raila, de Amerikaanse presidentsverkiezingen wint. Een Luo die het machtigste land ter wereld leidt! Daarmee is het trauma van de Luo in één klap geheeld.

In Kenya wordt wel gezegd dat als er cholera in Kisumu uitbreekt, deze ziekte binnen 24 uur ook in Kibera heerst. Daarmee wordt de hechte band geïllustreerd tussen Nairobi’s grootste sloppenwijk en Kisumu, Kenya’s derde stad, gelegen in het uiterste westen aan het Victoriameer, in het hart van Luo-land.
Kibera schijnt momenteel zo goed als uitgestorven te zijn... alle Luo zijn in afwachting van het verloop van de Amerikaanse presidentsverkiezingen naar Kisumu getrokken. Dinsdag en woensdag zijn daar officiële vrije dagen. Zondag hebben de Obama-aanhangers alvast een massale gebedsbijeenkomst voor de overwinning gehouden, op het terrein van oma Sarah Obama. Oma Sarah, die na een aanvankelijke persstop, nu een dagelijkse persbriefing organiseert met een van Obama’s stiefbroers als woordvoerder.

Maar de verwachtingen zijn niet alleen bij de Luo hoog gespannen. “Vandaag is de laatste zondag van de Bush administratie.” Dat was het eerste dat mijn lief tegen me zei toen hij zondag wakker werd. En hij is geen uitzondering: werkelijk iedereen waakt en slaapt met Obama in gedachten. De eventuele overwinning van Obama leeft bij álle Kenyanen. En dat heeft veel te maken met de eigen identiteit en een minderwaardigheidscomplex dat nog altijd actueel is – zou het dan eindelijk écht mogelijk zijn dat een zwarte aan de macht komt in het ‘blanke’ Westen?

Dat 74% van de Nederlanders Obama steunt, haalt hier de voorpagina, want Nederland is het meest Obama-minded land (al moge het duidelijk zijn dat Kenya niet in dit onderzoek is meegenomen).

Alle verkiezingsdebatten zijn live op de televisie uitgezonden, middenin de nacht, maar de Kenyanen zetten met liefde hun wekker om 4 uur. Woensdag en donderdag daalt ongetwijfeld de productiviteit in het hele land, als de Kenyanen gapend na een doorwaakte nacht voor de televisie op hun werk verschijnen. Als er niet spontaan een volksfeest uitbreekt.

Obama heeft zelfs de spreektaal verrijkt. Heette een kind van gemengde komaf (blank-zwart) tot voor kort een Point Five (halfbloed), nu is de gangbare term een Obama.

Dan is er nog de kwestie van het vliegveld van Kisumu. Een parlementslid heeft al hartstochtelijk gepleit voor het opwaarderen van dit vliegveld van een lokale naar een internationale luchthaven. Zodat alles gereed is voor het ontvangen van de Air Force One.

Kenya is er klaar voor. Nu de USA nog.

Update woensdag 5 november 8.00 East African time
Kenya is in extase! President Kibaki heeft zojuist morgen, donderdag, uitgeroepen tot nationale feestdag.

Update vrijdag 7 november
Er zijn gisteren heel wat stieren feestelijk geslacht - zowel in Kibera, als in Kisumu en in Kogelo, het dorp van oma Sarah. Dat dorp heeft trouwens in 24 uur een complete metamorfose ondergaan: er is met een on-Afrikaanse snelheid electriciteit aangelegd en de toegangsroute en doorgaande weg zijn gladgestreken en aangestampt.

Duizenden mensen hebben op Obama-dag het dorp al bezocht. Twee bezoekers zijn nog onderweg: Amerikanen. Die hebben dinsdag eerst in de USA gestemd en zijn toen zonder de uitslag af te wachten op het vliegtuig gestapt. Tijdens hun overstap op Schiphol (de vliegroute naar Kenia loopt voor bijna de hele wereld via Amsterdam) hoorden ze van Obama's overwinning. Vanaf Nairobi zijn ze meteen doorgereisd naar Kisumu en Kogelo, waar ze vandaag Oma Sarah hopen te bezoeken.

De Obama-gekte is kortom compleet. Hopelijk geeft het een enorme boost aan het toerisme - nog altijd broodnodig, want de toeristenstroom heeft zich nog niet hersteld na de Post-Election Violence.

En tenslotte: Obama had al een uitgebreide familie hier in Kenya, maar die familie wordt met de minuut groter. Werkelijk iedere Luo die je nu tegenkomt is volgens eigen zeggen een neef van.
Zelfs voor de Kenyanen die het extended family concept in hun bloed hebben zitten is dat net iets te ongeloofwaardig. Maar op een vrolijke manier wordt iedere Luo zijn belangrijke neef gegund. De helende kracht van Obama: het lijkt wel of Kenya inderdaad massaal verzoend en geheeld is. Al is dat waarschijnlijk meer toe te schrijven aan de euforie van de laatste dagen.
En als het stof is neergedaald, dan kunnen de politici ouderwets verder konkelen over Kriegler en Waki.

Friday, 17 October 2008

Rituelen – eerbetoon aan een Turkana mzee

Vanmorgen is mijn schoonvader overleden. Of beter: zachtjes uit het leven weggegleden. Heel klassiek: hij riep zijn zonen bij zich, praatte even met ze en wilde toen rusten. Om vervolgens voor altijd zijn ogen te sluiten.

Een mooie dood? Voor mij is het een harde confrontatie met de grote verschillen die er in Kenya bestaan. Met de omstandigheden die veel mensen bij voorbaat al een achterstand geven. Maar tegelijk is het ook een waardevolle kennismaking met de rituelen van de Kenyanen – en in het bijzonder die van de Turkana, de stam van mijn lief en zijn vader.

De mzee* was al een tijdje aan het kwakkelen. Regelmatig bereikten ons alarmerende berichten over zijn gezondheidstoestand. Hij had problemen met zijn keel, kon amper slikken en dus nauwelijks meer eten, behalve af en toe een beetje soep. Op veel plaatsen ter wereld zou je met dergelijke klachten naar een dokter gaan, ook in Kenya. Maar sommige plekken in Kenya zijn zo afgelegen, dat een dokter bezoeken minimaal een dag reizen betekent. En dan moet er wel vervoer zijn.

Loyangalani, het thuis van mijn lief en zijn vader, ligt in de semi-woestijn van Noord-Kenya. Zo ver weg, dat er geen geregeld transport is, laat staan openbaar vervoer. Soms passeert er een Landcruiser met toeristen, soms een missiewagen, soms een vrachtwagen die de visvangst uit Lake Turkana komt ophalen, nog veel minder vaak landt er een vliegtuigje op de airstrip. De beste kans om ‘even’ naar de dokter te gaan is met een vistruck. Maar als je zo verzwakt bent dat je zelfs niet meer kunt zitten, dan is een hele dag hobbelen in de laadbak van een vrachtwagen geen optie.

Tot dik een jaar geleden was Loyangalani ook wat communicatie betreft zo goed als van de buitenwereld afgesneden. Spoedeisende berichten konden alleen via de missietelefoon of de radiopost van de politie overgebracht worden. Safaricom, de Kenyaanse marktleider in mobiele telefonie, bracht het gsm netwerk naar Loyangalani. Maar het bleef lastig communiceren met een generatie die niet met de mobiele telefoon is opgegroeid. Ook hier speelde de afstand een rol, het was moeilijk om de ernst van de situatie in te schatten.

De generatiekloof beperkte zich niet alleen tot communicatie. Ook op de Kenyaanse gezondheidszorg had de mzee een geheel eigen kijk. Hij zocht zijn heil bij de geneeskunst die hem vertrouwd was, traditionele kruidendokters, maar die brachten helaas geen verlichting. Was een dokter bezoeken letterlijk een grote stap voor hem, ook figuurlijk gold dat. Hij had meerdere mensen uit Loyangalani met dezelfde klachten naar een dokter zien vertrekken, om vervolgens niet meer levend terug te keren. Dat er ook dorpsgenoten waren met vergelijkbare symptomen die met een simpele medicijnenkuur weer helemaal gezond werden, was hem niet bekend of wilde hij niet zien. Geef hem eens ongelijk: angst is een slechte raadgever.

Dan was er het spookbeeld van het Kenyatta National Hospital, het grootste staatsziekenhuis van Nairobi en van Kenya. Uit het hele land komen vooral minder bedeelde Kenyanen naar dit ziekenhuis, vaak als een laatste strohalm als het eigenlijk al te laat is. Een werkelijkheid die voor mij zeer moeilijk te verteren is: veel Kenyanen sterven aan kwalen die in Nederland onschuldig zouden zijn, gewoon door een gebrek aan middelen en aan voorzieningen om de hoek.

Het Kenyatta ziekenhuis heeft geen goede naam: de wachttijd bedraagt letterlijk dagen, de zalen zijn overbevolkt (veel patienten delen noodgedwongen een bed) en de staf is door de te kleine bezetting overwerkt en ongeïnteresseerd. Maar dat was niet zijn grootste angst. De mzee was bang om in zo’n anoniem ziekenhuis aan zijn lot overgelaten te worden, verlaten door zijn familie en weg uit zijn vertrouwde omgeving. Als hij dan toch moest sterven, dan op de plek die hem bekend en lief was: Loyangalani.

Niet alleen het dorp, de geboortegrond, neemt een centrale plaats in in het Kenyaanse sociale leven en denken. Het gezin en de familie zijn zo mogelijk nog belangrijker. Afrikaanse families zijn ‘extended’ – uitgebreid, een concept dat veel ruimer is dan het Nederlandse begrip van verwanten. Familieleden worden al snel met zus, broer, tante of oom aangeduid, ook als ze dat in biologische zin eigenlijk niet zijn. De extended family is het belangrijkste vermogen van een Kenyaan – een sociaal vangnet waarmee je alles wat je hebt deelt.

De extended family ter plekke ontfermde zich over de mzee. Ondertussen probeerden mijn lief en ik vanuit Nairobi waar we konden te helpen. Financieel, zodat de mzee naar een dokter vervoerd kon worden mocht zich transport aandienen (het is in Kenya heel gewoon om mee te betalen aan een lift, zelfs als het een noodgeval betreft). Logistiek, door bijna 24 uur per dag ons hele netwerk af te bellen om werkelijk elk transport dat Loyangalani zou aandoen in kaart te brengen. En organisatorisch, toen bleek dat de mzee goed reageerde op de vochtinfusen die een ‘tante’-verpleegster hem toediende. Maar zelfs zoiets simpels medisch als infuusvloeistof is in Loyangalani niet verkrijgbaar, dus moesten er met grote spoed extra zakken geregeld worden.

We hadden geen geluk – of misschien had de mzee dat wel. Toen een safari van mijn lief geannuleerd werd en er dus even geen werk was, was dat voor hem een teken dat hij nog meer moest doen. Hij zou zelf naar Loyangalani reizen, om voor zijn vader te zorgen en indien mogelijk medische hulp te regelen. Gewapend met infuusvloeistof en voedingsmiddelen die de mzee eventueel zou kunnen verdragen; pap, soep, fruit.
Donderdagochtend arriveerde hij na bijna drie dagen onderweg te zijn geweest in Loyangalani. Vierentwintig uur later sloot de mzee voorgoed zijn ogen. Een scenario zoals de mzee het wilde: in zijn eigen, vertrouwde omgeving, omringd door zijn familie. Respect!

Misschien had de mzee nog geleefd als hij wel redelijk eenvoudig naar een dokter had gekund. Maar dat doet er niet meer toe. Hij is trouw aan zijn cultuur en tradities daar gebleven waar hij hoorde – waar zijn wortels liggen. En in die grond wordt hij begraven, even buiten Loyangalani, temidden van zijn veestapel, zijn kostbaarste bezit. Vier dagen lang slaat de hele extended family een kamp op bij het graf, om hem uitgeleide te doen.

Een ritueel dat ik noodgedwongen aan me voorbij moet laten gaan. Loyangalani heeft geen elektriciteit en kent geen mortuarium of andere koelmogelijkheden. In het bloedhete klimaat van Noord-Kenya moeten begrafenissen daarom bijna onmiddellijk plaatsvinden. En zelfs al zou er nu een truck richting Turkana vertrekken, dan nog ben ik nooit op tijd daar.
Maar de echte ceremonie is over één à twee maanden. In een herdenkingsritueel bij zijn graf wordt dan een ‘thanksgiving’ voor de mzee gehouden, ook door mij.

Ik kwam naar Kenya om mijn leven te delen met mijn lief. Maar in deze situatie is de afstand Loyangalani-Nairobi mogelijk nog groter dan die tussen Amsterdam en Nairobi. In het laatste geval is het slechts acht uur vliegen en gaan er twee vluchten per dag. Nu zit ik noodgedwongen vast in Nairobi en kan ik alleen via de gsm troost bieden, waar ik mijn lief graag heel stevig zou willen vasthouden. En dat kan pas over een flink aantal dagen, als hij weer richting Nairobi komt. Compleet kaalgeschoren, als teken van rouw.

De Kenyaanse cultuur kent meerdere vormen van huwelijk. Een langdurige relatie wordt ook zonder boterbriefje als huwelijk gezien, bij wijze van gewoonterecht. Voor de Turkana is dan wel een soort goedkeuring vereist, van de (schoon)vader. Zodra de mzee hoorde dat ik naar Kenya was verhuisd, kondigde hij aan dat hij naar Nairobi zou komen voor die goedkeuring. Hij heeft ‘de stad’ nooit meer gehaald. En dat doet pijn.

Een ander ritueel: met je eerste slokje uit je bierfles spoel je in de kroeg je glas om, waarna je het over de grond uitgiet. Niet alleen een hygiënisch gebruik, maar ook een bescheiden offer aan je voorvaderen. Toen iemand mij dat een keer zag doen, kreeg ik de opmerking “Jij woont vast al heel lang in Kenia!” Ik moet nu even niet aan bier denken, maar al mijn eerste slokjes zijn voortaan voor de mzee. Als eerbetoon aan de vader van die heel bijzondere man in mijn leven.

* mzee = oude man (zeer respectvolle term in het Swahili)

Wednesday, 10 September 2008

Harambee Stars rules!


Het cliché dat Afrika helemaal gek is van voetbal, klopt in ieder geval voor Kenya. Vooral de Engelse Premier League wordt hier op de voet gevolgd. Maar als Kenya aantreedt voor een interland, dan domineren de Harambee Stars dagenlang de media en de gesprekken. Kenya speelt een thuiswedstrijd tegen Namibië, in de kwalificatie voor de Africa Cup en voor het wereldkampioenschap in 2010 – het eerste WK dat op Afrikaanse bodem gaat plaatsvinden. Dat geeft een extra dimensie aan de interland. In tegenstelling tot eerdere voorrondes, waarin Kenya al in een vroeg stadium in kansloze positie was, maken de Stars nog altijd kans op het felbegeerde ticket naar Zuid-Afrika.

De hype voor de interland wordt zorgvuldig opgeklopt. Een paar dagen voor de wedstrijd zijn volgens de geruchten bijna alle kaartjes uitverkocht. Een marketingtruc uit het boekje, want het veroorzaakt een onmiddellijke run op de tickets. Ook ik word plotseling overvallen door voetbalkoorts. Een paar uur later heb ik de kaartjes in mijn hand: VIP tickets, à raison van 500 shilling (grofweg zo’n 5 euro). Gewone kaartjes kosten 200 shilling, voor veel Kenyanen nog altijd een enorm hoog bedrag.

Om de hype compleet te maken, komt op de wedstrijddag het jubelende bericht dat de interland helemaal is uitverkocht. Al is ook dat, zoals bijna alles in Kenya, een relatief begrip. Het Kasarani stadion heeft een capaciteit van 60.000 plekken. Er zijn zo’n 45.000 kaartjes in omloop gebracht. Uiteindelijk tellen sommige media slechts 30.000 voetbalfans. Dat verklaart de vele lege plekken in het ‘uitverkochte’ stadion - niet toevallig daar waar de zon gul schijnt.

Het Kenyaanse Studio Sport

De route naar het stadion is één vlaggenparade. Uit de ramen van elke auto, bus of matatu met voetbalfans wappert op zijn minst iets dat op een vlag lijkt. Voor diegenen die dit noodzakelijke attribuut missen, zijn daar de altijd inventieve straatverkopers. Daar waar zij opduiken, weet je dat je het stadion nadert. Vlaggen in alle soorten en maten, van bandana’s tot grotere lappen textiel tot vlaggetjes voor op het dashboard.

De straatverkopers bevinden zich op een uiterst strategische plek, precies op het punt waar het ongedisciplineerde verkeer van Nairobi tot een chaotische stilstand komt. Dit keer geen scheldpartijen of andere ergernis, voetbal verbroedert blijkbaar ook het verkeer. De chauffeur van een matatu die naast ons voortkruipt, werpt een blik op mijn uitmonstering: bandana, kleding en armbandjes in de kleuren van de Keniaanse vlag. Hij begint ongelovig te glimlachen: “Harambee Stars?” vraag hij. Op mijn bevestiging breekt een stralende lach door.

VIP ticket of niet, met de auto arriveren geeft je een bevoorrechte positie. Volop parkeerruimte en een entree zonder rijen. Dat is aan de andere kant van het stadion wel anders, waar iedereen te voet (al dan niet vanuit de bus of matatu) heen wordt geleid. Dikke rijen van dik een uur, gedrang en kleine opstootjes. De beveiliging vertraagt de soepele binnenkomst van duizenden fans, tot hun grote frustratie. Met dank aan de General Service Unit (GSU), een speciale eenheid van de politie, ook wel GS-Useless genoemd. Overigens bestaat de beveiliging slechts uit het scannen van de kaartjes, om valse tickets te ondervangen. Geen tascontrole of body search.

Het Kenyaanse volkslied

Zo vlak voor het stadion verandert het karakter van de merchandise. Even lijkt het of we in de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen zijn beland. Het is Obama all over, de presidentskandidaat met Keniaanse roots, nu al de held van heel Afrika. Met als meest originele uitwas het O3 T-shirt: de O van Obama, Odinga (Raila, de premier van Kenya) en Oliech- de spits en uitblinker van het Kenyaanse team, al moet hij deze interland wegens schorsing aan zich voorbij laten gaan.

In het stadion zelf zijn maar twee rangen – VIP of normaal. Een ring van gele kuipstoeltjes voor de bezitters van een duur kaartje, houten banken voor de gewone bezoeker. Dat de VIP secties overdekt zijn, is niet alleen prettig met het oog op de uitbundig schijnende zon. Sommige voetbalfans hebben de gewoonte om bij elk hoogtepunt met hun flesje te gaan zwaaien – met de dop eraf. Een cola-douche is een wel erg plakkerig souvenir van de wedstijd.

Heel toepasselijk onder nummer 1: de VIP-loge, met ergens in het midden Raila

En dan is daar natuurlijk de loge voor de echte VIPs – bobo’s en andere hoogwaardigheidsbekleders. Held van de loge maar vooral van het veld is Raila, de premier van Kenya. Als hij met zijn helicopter arriveert stijgt een luid geluich van de tribunes op en worden alle vlaggen richting de chopper gezwaaid. Als Raila zijn opwachting op het veld maakt voor de ceremonie rond de volksliederen, worden zonder overdrijven de meeste decibellen van de dag geproduceerd.

Warming-up

De fans zijn dan al urenlang warm gemaakt door verschillende zelfverklaarde mascotttes in kleurrijke uitdossing – waarvan Spiderman de meest bekende is. Een uur voor de wedstrijd zet een DJ de muziek aan. Door het stadion schalt de karakteristieke stem van Tony Nyadundo, een bekende Luo-zanger die Raila’s campagne vorig jaar muzikaal omlijste. Het publiek reageert enthousiast, ook de vele voetbalfans die niet tot de Luo-stam behoren. De tribune transformeert in een deinende massa en de wave wordt ingezet.

Masai mascottes

Het feest lijkt compleet. Behalve dat er nog wel even een interland gespeeld moet worden.
De Harambee Stars beginnen voortvarend en zetten Namibië vanaf het begin aardig onder druk. De Namibiërs spelen veel lichamelijker, wat het Kenyaanse team vlak voor rust een penalty oplevert. Een strafschop die nog uitbundiger wordt gevierd dan de verzilvering ervan.

De tweede helft is abominabel slecht. Namibië kan geen vuist terug maken, Kenya weet alleen slap te verdedigen door veel ‘tikkies terug’. Tactisch gezien valt er nog veel te verbeteren. De Harambee Stars kennen maar één corner-variant, waarin twee spelers elkaar op korte afstand aanspelen. Van dreiging op het doel is totaal geen sprake. Ook de vrije trappen die Kenya krijgt zijn in hun uitvoering weinig creatief – óf een kort één-tweetje, waarbij de ontvangende speler steeds verrast lijkt dat hij de bal krijgt aangespeeld – óf een schijnbeweging van twee spelers, waarbij de eerste speler tegen alle verwachting in de bal toch niet neemt. Alleen zit er zoveel tijd tussen nummer één en twee, dat deze afleidingsmanoeuvre het tegenovergestelde effect heeft.

Maar goed, het resultaat telt. De 1-0 wordt vastgehouden. En Kenya weet zich ineens in de luxe positie van groepsleider. Met nog één wedstrijd te gaan lijkt het bereiken van de tweede fase van de voorrondes gegarandeerd.

Het teleurstellende spel doet de tribunes verstommen. Afdruipen is misschien een iets te overdreven omschrijving, maar het publiek is opvallend rustig op weg naar de uitgang. Alleen de fans die overvloedig alcohol hebben gebruikt, maken er nog een klein feestje van. Voor diegenen die op zoek zijn naar een andere held nu de voetballers hun status niet hebben waargemaakt, gloort er hoop. De Obama-merchandise is bij de poorten van het stadion nog altijd volop te koop.

Trieste uitslag van dezelfde wedstrijd: een 17-jarig meisje heeft in Kibera haar voetbalminnende stiefvader doodgestoken, omdat hij weigerde de afstandsbediening van de tv af te staan vóór het einde van de interland. Dat zij daardoor haar favoriete serie op een ander kanaal miste, werd hem fataal.

PS: Helaas kan ik me tijdelijk niet verder in het Kenyaanse leven verdiepen. Ik duik even onder in die andere beruchte Afrikaanse stad, Johannesburg. Zodat ik over een dikke week met een vers visum weer welkom in Nairobi ben.

Thursday, 4 September 2008

De Nairobi Water Loterij

Watertanks op het dak van een gebouw in Ongata Rongai

Hakuna maji? Hakuna maji! Geen water... de dagelijkse begroeting die ik met mijn buren uitwissel. Niet echt het eerste Swahili dat je je eigen wilt maken. Maar wel de realiteit van wonen in Nairobi.

In mei kondigde de Nairobi Water Company al aan dat het water gerantsoeneerd zou worden, wegens het uitblijven van substantiële hoeveelheden regen dit jaar. De waterlevering zou tot en met oktober op gezette tijden onderbroken worden. Deze week kwam het bericht dat stromend water ook na oktober niet 24/7 gegarandeerd is. De inwoners van Nairobi moeten maar zoveel mogelijk water opslaan, is het devies.

Leuk advies, maar waar haal je dat water vandaan? Sinds een dikke maand woon ik in een ander appartement. Tijdens die periode stonden de kranen zeker een maand droog. En als er wel water was, dan was het eerder wat zielig gedruppel, nooit voldoende om de voorraadtanks weer aan te vullen.

Afgezien van de dagen dat de Nairobi Water Company de kraan voor heel Jamhuri en het aangrenzende Kibera dichtdraait, lijkt het probleem zeer lokaal te zijn. Net het blok waar ik woon staat helemaal droog. En als het de conciërge van ons gebouw lukt om met een pomp water af te tappen van de hoofdleiding in de straat, dan blijven de kranen net in mijn appartement toch hardnekkig weigeren. De wet van Murphy?

De eerste waterloze dag in mei bracht me tot het aanschaffen van een container van 70 liter. De droogte in mijn nieuwe huis heeft me inmiddels nog een tank van 70 liter opgeleverd, plus drie wat handzamere jerrycans van 20 liter. Totaal 200 liter. Maar als je nooit winnaar bent in de Nairobi Water Loterij, dan komt de bodem van al die containers razendsnel in zicht.

En dan komt het aan op water-creativiteit. En heel veel teiltjes. Eén met een constant laagje water voor handen wassen. Twee voor afspoelen en afwassen. Eén grotere teil waar alleen schoon water in mag, voor mijn dagelijkse ‘douche’. En de grootste teil voor het opvangen van ‘afvalwater’, om mijn haren boven te wassen en in te gaan staan als ik me was. Geen druppel gaat zo verloren. Want het toilet moet af en toe ook ‘doorgespoeld’ worden.

Het is bijna een sport om zo weinig mogelijk water te gebruiken. Op een gemiddelde dag kom ik niet verder dan 15 liter: 5 voor de douche, 5 voor de afwas en 5 voor diverse andere dingen als koken, tandenpoetsen en handenwassen. Ter vergelijking: een collega die in een van de slums woont, haalt dagelijks 40 liter. Letterlijk met zijn jerrycans, want zijn onderkomen is niet aangesloten op de waterleiding. En die 40 liter gebruikt hij helemaal in zijn eentje, tot op de laatste druppel. Elke groene activist zou trots op mijn 15 liter zijn.

Eerlijk is eerlijk, die 15 liter haal ik alleen op dagen zonder was en zonder schoonmaak – water is de enige manier om het stof van Afrika buiten de deur te houden. En voor de was van een week is zo’n 60 liter water nodig – met dank aan de kracht van het waspoeder, dat heel veel uitspoelen vergt.

Ondertussen heb ik visioenen van een lange hete douche. Maar meer nog van tot aan mijn enkels in het water staan om mijn vloer grondig te boenen. Terwijl ik toch helemaal niet zo’n poets-fan ben. Als op een avond een tropische stortbui losbreekt, heb ik even de neiging om mijn haren in te zepen en de shampoo door de regen te laten uitspoelen. Mijn buren komen meteen in actie: allemaal zetten ze grote bakken buiten om maar zoveel mogelijk water op te vangen.

Geen water uit de kraan of uit de hemel? Water kopen is de enige oplossing. Overal in de stad zie je watertanks rondrijden, met ‘clean soft water’. Die tanks komen maar wat graag de reservoirs van de gebouwen vullen. Het is lucratieve business. Mijn huisbaas schijnt ook overstag te zijn. Maar This Is Africa, je weet nooit wanneer het wonder van de tank die komt voorrijden om alle waterzorgen weg te spoelen écht gaat plaatsvinden.

Dus zit er niet anders op dan zelf water te halen. Of te laten halen, vrijwilligers genoeg, van buren tot toevallige passanten die zich allemaal spontaan aanbieden. Waarbij het de vraag is of het goed nabuurschap is, of dat ze een extra dik zakcentje aan deze mzungu willen verdienen. Want water halen, dat komt met een prijs. Twintig liter hier in Jamhuri thuisbezorgd kost 20 shilling, grofweg zo’n 20 eurocent. De gangbare prijs in Kibera, de bron die mijn wasvrouw gebruikt, is 8 tot 10 shilling. En in Kawangware, de slum van mijn collega, betaal je 5 shilling. Een paar maanden geleden was dat nog een luttele 3 shilling.

Maar betalen voor water is mijn eer te na. De huur is immers inclusief water – en die huur is hoog genoeg. En dat verklaart eerder mijn zuinigheid met de voorraad in mijn tanks, dan mijn milieu bewustzijn. Dus charter ik de conciërge en maak van mijn waterprobleem zijn probleem. Een half uur later heb ik weer een kleine 100 liter in huis, eendrachtig gehaald bij een appartementencomplex om de hoek dat de conciërge ook onder zijn beheer heeft.

Op kantoor is de watervoorziening het gesprek van de dag. Want allemaal hebben we onder de water cuts te lijden. Behalve die lucky one die in de buurt van State House woont. President Kibaki zit echt nooit zonder water, dus zijn buren ook niet. Haar mond valt open bij mijn verhaal over in een teiltje staan om mijn ‘douche’water op te vangen – daar had zij nog nooit aan gedacht. Maar als buurvrouw van Kibaki hoeft dat ook niet.
Mijn principe om vooral niet voor water te betalen valt in goede aarde. Echt Keniaans volgens mijn collega's. Weten zij veel dat Nederlanders ook bijzonder veel van gratis houden.

Friday, 22 August 2008

Winter in Nairobi: Four seasons in one day


Volgens alle insiders (lees: de reisgidsen en andere informatiebronnen) heeft Kenya geen seizoenen zoals we die in Europa hanteren - herfst, winter, lente, zomer. Nee, Kenyanen kennen zogenaamd alleen de ‘korte’ en de ‘lange’ regens en de periodes daartussen. De korte regens zijn grofweg van november tot en met januari; de lange van maart tot en met mei. Al is het verschil tussen ‘kort’ en ‘lang’ mij nog altijd niet duidelijk – in beide periodes kan het lang en hard regenen, maar heb je ook dagen met strakblauwe luchten en een brandende zon.

Maar goed. Het concept ‘winter’ bestaat niet in Kenya volgens de kenners. Toch hoor ik de locals al wekenlang klagen over de extreme kou deze winter.

Het begon eind mei met frisse avonden en nog frissere ochtenden. In juni werd het menens met intens grijze dagen waarop de zon zich niet liet zien. Maar het kon nog kouder, in juli. Erwin Kroll zou zeggen: waterkoud. Motregen, druilregen, gestaag druppelende regen, slagregens, hagel, daar was helemaal niets tropisch aan. Binnen vijf minuten werd de lucht inktzwart en braken er hagelbuien uit waarbij het zicht tot nul gereduceerd werd. Altijd op vrijdagmiddag, waardoor het toch al chaotische weekendverkeer in een ware veldslag veranderde. En de ritprijs voor hen die een plekje in een matatu wisten te bemachtigen omhoog ging van 50 shilling naar soms wel 500 shilling.

Bizar: woon je zo’n 200 kilometer ten zuiden van de evenaar, heb je het nog koud. Op veel dagen is het hier in tropisch Afrika zelfs aanzienlijk koeler dan in zomers Nederland.

Kou is natuurlijk relatief. Zelfs op de meest frisse dagen komt het kwik niet beneden de 11-12 graden. Maar de gevoelstemperatuur ligt aanzienlijk lager. Want alle huizen zijn gebouwd op zoveel mogelijk koelte, verwarming ontbreekt en alle ramen lijken standaard te tochten. Vooral werken is een beproeving van kippenvel en ijshanden – stilzitten achter een computer terwijl de kou langzaam van de vloer je botten intrekt. Ik wapen me met wollen vestjes, maillots en laarzen. Mijn collega’s hijsen zich niet eens in een panty en blijven in dezelfde rokken met blote brenen rondlopen. Geen wonder dat de een na de ander ziek wordt. Want winter in Nairobi, dat is vooral een periode van snotteren en hoesten. Kassa voor de ziekenhuizen (huisartsen bestaan niet, voor een dokter ga je naar een hospitaal) en de fabrikanten van antibiotica.

Niets zo veranderlijk als het weer, ook in Nairobi. Binnen één dag – wat heet, binnen enkele minuten kan het radicaal omslaan en van ijskoud naar fris naar aangenaam naar warm gaan. Four seasons in one day. Herfst, als de slagregens je binnen tien seconden helemaal doorweken en de straten in woest kolkende rivieren doen veranderen. Winter, als de hagelstenen naar beneden kletteren en het verkeer voor even lamleggen. Lente, als de lucht ’s ochtends babyblauw kleurt en het zonnetje aarzelend doorbreekt. Of als de drupregen in alle vroegte grassig ruikt zoals in het Nederlandse voorjaar en een tinteling van belofte aan de dag geeft. Zomer, als het wolkendek halverwege de middag openbreekt en de zon uitbundig schijnt. En de askari (bewakers) van het wooncomplex waar ik dagelijks langs kom hun eerste spelletje dam van de dag spelen op een muurtje in de zon.

Juli gaat in kou ten onder. Augustus begint veelbelovend en zonovergoten. Heel Nairobi lijkt uit zijn schulp te kruipen en is op zondagmiddag in Uhuru Park te vinden. Zelfs de locals, die van nature altijd de schaduw opzoeken, warmen zich in de zon.
Maar na een paar dagen is het weer net zo kil, grijs en nattig als in juli. En wandel ik nog altijd in recordtempo naar kantoor, om de kou buiten te sluiten. Blijf ik verslaafd aan pittige soep, warme chocolademelk en hete thee, om een beetje warm te blijven. Kruip ik ’s avonds vroeg onder de wol, bij gebrek aan verwarming - met visioenen van een knapperend haardvuur.

Op een ochtend zie ik een Kenyaan met wel erg zwarte handen. Twee keer kijken en ik ontdek zijn geheim. Handschoenen!
Winter in Nairobi, het bestaat echt.

Wednesday, 20 August 2008

Ondertussen in Olympisch Kenya…


… blijft het grote Olympische success voor Kenya tot nog toe uit. De resultaten vallen tegen, van een Kenyaanse medailleregen is absoluut geen sprake, zelfs nu het atletiekprogramma volop aan de gang is. De twee gouden plakken (3000 meter steeplechase mannen en 800 meter vrouwen) worden breed bejubeld. Maar verder klinkt er vooral gemor, vanuit het Olympische team, maar ook en vooral vanuit het thuisfront. De boodschap: er moet nu eindelijk eens een topsportbeleid komen.

… is er buiten de atletiek wél hoop voor de toekomst opgestaan: zwemmer Jason Dunford, Kenya’s eigen VdH. Dunford had tijdens de series van de 100 meter vlinderslag zelfs het Olympische record in handen, al duurde die glorie slechts zeven minuten. Hij haalde wel de finale, “the first Kenyan and African south of the Sahara and north of River Limpopo” (oftewel: de eerste Afrikaan ten zuiden van de Sahara, met uitzondering van Zuid-Afrika), een beschrijving waaruit de Kenyaanse voorliefde voor triviale statistieken blijkt. En ach, dat hij in de finale vijfde werd en verloor van de almachtige Michael Phelps, dat doet er minder toe.

... ben ik met mijn collega’s in een verwoede medaillestrijd gewikkeld: Nederland versus Kenya. Iedere dag kondigen ze aan dat Nederland vandaag het nakijken heeft, want dat Kenya ons kikkerlandje nu echt in de medaillescore gaat inhalen.
Tijdens de finale van de 800 meter voor de vrouwen word ik geroepen: “Als je wilt weten wat heel Kenya nu aan het doen is en je wilt dit als Kenyaanse mee beleven, kom kijken!” Dat Nederland ooit goud won op dit nummer, willen ze amper geloven, het is Afrikaans territorium. “Oh ja? En dat was zeker een echte Nederlandse?” Ellen van Langen, Barcelona 1992. “Blond haar en blauwe ogen, you would not get them more mzungu,” troef ik hen af. Waarop ze quasi nonchalant vragen naar de prestaties van de in Kenya geboren Nederlandse Lornah Kiplagat. “Die werd zesde op de 10.000 meter, een afstand waarop Kenya ook al geen medailles wist te winnen,” gooi ik nog wat olie op het vuur.
Uiteindelijk kijken we in grote harmonie naar de Nandi Express (Pamela Jelimo) en de Eldoret Express (Janeth Jepkosgei) op de 800 meter, dames die goud en zilver binnen slepen. Maar die andere zeker goud, Asbel Kiprop de volgende dag op de 1500 meter mannen, blijft uit – Kiprop haalt zilver. Dus gaat Nederland in de medaillespiegel nog altijd aan de leiding: 13 (4/5/4) tegen 8 (2/4/2).

... ging president Kibaki zondag op safari in de Masai Mara, in een poging om het nog altijd bloedende toerisme een boost te geven. Het fenomeen van de Grote Trek, de jaarlijkse migratie van miljoenen wildebeesten, zebra’s en Thompson’s gazelles, is in het hoogseizoen de grote publiekstrekker van Kenya. Opmerkelijk: zondagochtend werd het presidentiële schema op de radio aangekondigd, inclusief de start van de Great Migration, die zich om 14.30 uur precies zou voltrekken. Blijkbaar heeft de presidentiële staf ook over al dat wild de regie strak in handen.

... houdt premier Raila zich met het alfabet bezig, in de strijd tegen HIV/Aids. Aan het vertrouwde ABC-adagium (Abstinence/ Be Faithful/ Condoms – promotie van onthouding, monogamie en condoomgebruik) is een tweede C toegevoed: Circumcision, mannelijke besnijdenis. Augustus is traditiegetrouw het besnijdenis-seizoen voor veel Kenyaanse stammen. Maar niet elke stam kent besnijdenis. Bij de Luo, de tweede grootste stam van Kenya (waartoe ook Raila behoort), is het bijvoorbeeld niet gebruikelijk (wat veel andere Kenyanen verleidt tot onfrisse opmerkingen over ‘die onbesnedenen’, vooral tijdens de post-electorale crisis waren de beledigingen in die richting niet van de lucht). Overigens heeft Raila de ABC-formulie nog verder uitgebreid, met de D van Death. Oftewel: negeer je het ABC, dan volgt onherroepelijk de D.

... zijn de Kenyaanse autoriteiten in een verwoede klopjacht verwikkeld op Mohammed Fazul, de dader van de bomaanslag op de Amerikaanse ambassade in Nairobi, begin augustus exact tien jaar geleden. Die aanslag zette Al Quaida destijds op de internationale terroristenkaart. Toeval of niet tien jaar na de aanslag, sinds eind juli is Fazul weer op Kenyaans grondgebied. En zeker twee keer bijna gepakt. Maar beide keren wist hij letterlijk door de achterdeur te ontkomen, omdat het arrestatieteam ‘vergat’ alle vluchtwegen te blokkeren. Wat de geruchten doet aanzwellen dat hij wel hulp móet hebben binnen het politiekorps.

... heeft de door de staat gefinancierde Commission on Human Rights een rapport over het post-electorale geweld gepubliceerd, waarin meerdere bewindslieden (minsters en parlementariërs) als aanstichters van dat geweld worden aangewezen. Er schijnt ook een eerste, niet-geredigeerde versie van het rapport te bestaan, waarin veel meer ‘schuldigen’ worden aangemerkt. En de namen die later geschrapt zijn, schijnen opmerkelijk genoeg allemaal van ODM bewindslieden te zijn (ODM = Orange Democratic Movement, de partij van premier Raila). Smeuïger dan dit wordt het niet, want alle namen blijven tot nader order geheim.

... is het parlement met reces, maar is de Grand Regency Saga nog altijd het gesprek van de dag. Het Grand Regency hotel, staatseigendom, is in het geheim voor een prijs ver beneden de marktwaarde verkocht aan een Libisch consortium, buiten alle parlementaire controles om. Een nieuw corruptieschandaal is geboren. Inclusief het instellen van een commisie, die het verhaal tot op de bodem moet uitzoeken. De Saga kostte Minister van Financiën Amos Kimunya al de kop. Tenminste, hij heeft in afwachting van de uitkomst van het onderzoek tijdelijk zijn functie neergelegd. Na zware druk van politiek en publieke opinie – al wist hij in eerste instantie wel een motie van afkeuring van het parlement naast zich neer te leggen.

... zou je denken dat bewindslieden zich eerst en vooral met het landsbestuur bezig houden nu de rust is teruggekeerd na maanden van impasse en bestuurloosheid. Maar nee, de politieke stammenstrijd over de presidentskandidatuur van 2012 is nu al losgebarsten. Hoofdrolspeler: Minister van Justitie Martha Karua, die van haar ambities geen geheim maakt om president Kibaki als lijsttrekker namens de PNU op te volgen. Felle discussies en verontwaardigde reacties van mogelijke tegenkandidaten in het PNU kamp zijn haar deel. En ODM, die andere grote partij in de coalitie, die regeert ondertussen rustig door. En vraagt zich net als veel Kenyanen af waar het voorstel tot grondwetsherziening (een van de pijlers van Annan’s vredesakkoord) blijft.

... zijn de scholen in augustus gesloten. Even pas op de plaats na een maand vol onrust op veel middelbare scholen. Het begon met stakingen en liep uit op zware vernielingen en brandstichting, waarbij één leerling zelfs het leven verloor. De inzet van deze strijd, daar zijn de geleerden en de man op straat het niet over eens. Verlichting van de studielast, maar ook betere maaltijden, toestaan van mobiele telefoons en zelfs de installatie van state-of-the-art LCD-schermen en geluidsapparatuur in schoolbussen – dit is de Bongo Flava generatie, neem plaats in een gemiddelde matatu en je leert deze muzieksoort ongetwijfeld kennen. Kenyanen reageren diep geschokt op deze ongekende uitbarsting van geweld. De roep om het instellen van harde tucht, de herintroductie van de cane (lijfstraffen), sinds 2001 bij wet verboden, is de instinctieve reactie van velen. Of zoals een commentator in de krant schrijft: “The African thing, presumably, is to make children see sense by beating them senseless.” Maar is het zo verwonderlijk dat de scholieren op dezelfde manier strijd voeren als ze hun volwassen landgenoten begin 2008 tijdens de verkiezingscrisis hebben zien doen?

... geven de volwassenen nog altijd niet echt het goede voorbeeld, want die slaan elkaar in de gemeenteraad letterlijk de hersens in. Onder meer in Nairobi, Mombasa en Nyeri vliegen de stoelen door de lucht. Hier gaat het om de zeggenschap in enkele invloedrijke commissies, gevoed door de nog altijd voortdurende rivaliteit tussen PNU en ODM. Maar vooral het beeld van met pleisters beplakte gemeenteraadsleden beklijft.

... komt John Githongo na dik drie jaar van zelfverkozen ballingschap in de UK woensdag weer ‘thuis’. De voormalig Permanent Secretary for Governance and Ethics was tot zijn vlucht belast met het anti-corruptie beleid in het vorige kabinet-Kibaki. Naar eigen zeggen was hij zijn leven niet meer zeker toen hij al te ambitieus al te diep ging graven. Of het politieke klimaat veranderd is met het nieuwe bewind in Kenya, moet blijken.
Hoezo komkommertijd? Niet in Kenya! Never a dull moment.

Monday, 28 July 2008

Anarchistisch en suïcidaal


Een van de klassiekers van Koot & Bie (tenminste, in mijn ogen) is de rijles-scène. Van Kooten instrueert De Bie voor zijn rij-examen. Asociaal rijgedrag, bumperkleven, anderen bijna van de weg drukken, rechts inhalen, ver boven de maximumsnelheid rijden, niet op voetgangers of fietsers letten, geen voorrang verlenen, opzettelijk spookrijden, afsnijden, middelvinger opsteken en dan langzaam 'klootzak' in de achteruitkijkspiegel mimen... Ik heb de sketch slechts één keer gezien, maar het heeft een onuitwisbare indruk op me gemaakt.

Waren Koot & Bie destijds al profetisch voor het toekomstige rijgedrag van sommige Nederlanders, ze schetsten ook een zeer realistisch beeld van het verkeer hier in Kenia en vooral hier in Nairobi. Want behalve de middelvinger en de klootzak, is dat soort rijgedrag hier doodnormaal.

Anarchistisch en suïcidaal, een andere beschrijving is er niet voor. Het recht van de sterkste geldt hier op én langs de weg. En die sterkste is... de matatu.* Die weet zelfs ondanks de files en andere opstoppingen met een noodgang door het verkeer te jakkeren. En maakt daarbij gebruik van alle Koot & Bie trucjes.

Passagiers opgepikt langs de kant van de weg? De matatu gáát gewoon de weg op, of er al een andere verkeersdeelnemer rijdt of niet. Als matatu druk je die gewoon van de weg. Is de voorganger te langzaam (lees: houdt die zich aan de maximumsnelheid)? De matatu kan het niet nalaten hardnekkig te bumperkleven en onderneemt dan een inhaalmanoeuvre, gaatje of niet. Om vervolgens vaak de ingehaalde auto af te snijden, als er ineens potentiële passagiers langs de weg staan. File? De matatu heeft twee mogelijkheden: spookrijden (voor zichzelf een extra baan creëren op een éénbaansweg, tegenliggers of niet) of, nog beter, gewoon even van de weg áf, om over het ernaast liggende voetpad verder te scheuren. En als daar toevallig net voetgangers lopen? Jammer dan.

Jammer ook voor de matatu’s zelf. En hun passagiers. Want bij de meeste verkeersongelukken zijn matatu’s betrokken. Niet zelden met dodelijke afloop. Slachtoffers van tragische verkeersongevallen staan dagelijks in groten getalen in de krant.

Matatu-menace of matatu-madness heet het hier. Maar ook andere verkeersdeelnemers kunnen er wat van. Nairobi is eigenlijk altijd één grote file. Niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat alle belangrijke doorgaande wegen vaak éénbaans zijn (zoals Ngong Road) en de aanvoerwegen hooguit tweebaans. Het is letterlijk dringen om de beschikbare ruimte. Dus proppen bestuurders hun vehikel in de kleinst beschikbare gaatjes, met heel weinig tussenruimte. Niets afwachten tot iemand je er tussenlaat, je plaats op de weg néém je.


En dan sta je dus hopeloos stil. Geen nood, overal lopen boys kranten te verkopen. En de belangrijkste knooppunten richting downtown worden allemaal bediend door straatverkopers. Elk met hun eigen wijk: op de ene straathoek is het aanbod fruit, elders speelgoed, of handige huishoudhulpjes (inclusief de onmisbare Superglue), of pinda’s, of Keniaanse vlaggetjes, of auto-accessoires.

Goed. Van deze chaos maak ik vrijwillig deel uit. Na drie keer slikken, dat wel. En hardop nadenken, want alles is in spiegelbeeld – erfenis van de Britten: met links schakelen, rechts sturen, links de handrem, zelfs de ruitenwisser en richtingaanwijzer zitten omgekeerd aan het stuur. Maar alles went. Zelfs het anarchistische en suïcidale Keniaanse verkeer. How to bluff your way into Nairobi traffic...

Wat een beetje helpt: de filedruk verschilt van dag tot dag. Halverwege de maand, als bij veel Kenianen het geld bijna op is, is er opvallend minder verkeer op de weg. Ook de schoolvakanties verminderen de drukte op de weg – geen opstoppingen meer van dikke bolides bij de posh scholen hier in de buurt, waar de beter gesitueerden hun kroost droppen. En de alarmerend hoge benzineprijs heeft helemaal zijn zegeningen voor het verkeer; bijna iedereen moet de auto vaker laten staan. Soms is het verkeer dus iets minder chaotisch.

Als je er lang genoeg deel van uitmaakt, ondek je zelfs een soort van systeem. Er zijn best verkeersregels. En voor zover die niet voldoen, heb je een aantal extra hulpmiddelen. Oogcontact – om de reactie van je medeweggebruiker te peilen als je op zoek bent naar een gaatje. Je buitenste knipperlicht – om een tegenligger te waarschuwen dat hij echt op zijn eigen weghelft moet blijven. Je grote licht – om aan te geven dat je ruimte open laat voor de ander. En natuurlijk je claxon – ‘hier kom ik! maak plaats’, om niet al te subtiel te laten weten dat jij degene bent die voorrang heeft. En zelfs je hand uitsteken – om je knipperlicht kracht bij te zetten en een gaatje af te dwingen in een bumper aan bumper situatie. Of om de ander er tussen te wuiven. Ongeschreven regels, die zo universeel zijn, dat je als mede-weggebruiker pas serieus wordt genomen als je ze ook echt toepast.

Allemaal regels die niet in het boekje staan. Wat wel in het boekje is opgenomen: alle verkeersborden, dezelfde als die in Nederland. Alleen zie je ze hier amper langs de weg staan. Toch dien je ze allemaal te kennen, voor het Keniaanse rij-examen. Waar ook ik aan moet gaan geloven, want het is tegenwoordig voor buitenlanders de enige manier om een Keniaans rijbewijs te bemachtigen. Een paar rondjes rijden, meer schijnt het niet te zijn. Als je tenminste de verkeersborden weet te benoemen. En als je goed met de speelgoed-autootjes kunt omgaan.

Niet alle ingewikkelde verkeerssituaties kunnen in het praktijkexamen aan bod komen. Maar de Keniaanse verkeerspolitie is inventief: die creëert die situaties gewoon binnen, in mini-formaat. Aan de kandidaat de taak om een speelgoed-autootje volgens de regels van punt A naar punt B te brengen, en dan naar punt C en dan misschien ook nog naar punt D. Denk niet dat het hier om een simpel kruispuntje ofzo gaat. Nee, de meest gecompliceerde rotondes komen aan bod.

Rotondes! De nachtmerrie herhaalt zich... van het Nederlandse rij-examen naar het Keniaanse. En natuurlijk zijn de rotonde-regels hier totaal anders dan die in Nederland. Niet eens in spiegelbeeld. Al bijna vijftien jaar achter het stuur en nu duik ik opnieuw de boeken in, voor een rij-examen.

* Matatu’s: mini-busjes die bij wijze van openbaar vervoer vaste routes rijden

Wednesday, 9 July 2008

The Japanese Moran


Ineens hadden we besloten dat er een auto moest komen. Niet eens zozeer omdat we het zat waren ons te voet of per matatu te moeten verplaatsen. Meer met het oog op de toekomst. Mijn lief was nog altijd in afwachting van de terugkeer van de toeristen, zodat hij weer af en toe werk en dus een inkomen had.

Maar niets doen is niets voor hem. Bovendien is maandenlang overleven op een heel klein beetje geld best verhelderend: een andere inkomstenbron was meer dan welkom, naast het toerisme, dat onder invloed van de recente chaos in Kenya heel grillig bleek te zijn.
Dus hadden we veel gebrainstormd en een plan gemaakt. En dat plan heette AUTO. Te gebruiken voor safari’s, transfers en andere (taxi) ritjes. Helemaal multi-purpose.

Niet zomaar een auto, maar een echte four wheel drive. Net als in Nederland is dat type hier in Nairobi heel erg hip. Het enige verschil is dat je in Kenya buiten de stad zo’n auto ook echt nodig hebt, zeker in de regentijd, gezien de schrikbarend slechte staat van de wegen.

Op zoek naar een four wheel drive dus. Maar waar vind je in Nairobi in vredesnaam die tweedehands auto van een oud dametje, eerste eigenaar, weinig kilometers op de teller, altijd bij de dealer onderhouden?
Nergens, want dat dametje bestaat niet. En die dealer al helemaal niet.

Dus hoe gaat dat. Je schakelt al je contacten in. En krijgt vervolgens de meest obscure auto’s aangeboden. Verder neus je eens wat in de krant en bezoekt wat handelaren in meerdehands auto’s. Dan kijk je eens rond op typische expat-plekken, zoals de grote winkelcentra, waar altijd wel een vitrine hangt met ‘Quick sales’. Vertrekkende expats willen vaak snel van hun bolide af, dat zou de prijs moeten drukken. Helaas volgt de praktijk in dit geval niet de theorie. Overal prachtauto’s, daar niet van, maar ook allemaal schrikbarend boven budget.

We waren ons nog steeds aan het oriënteren. Dat bracht ons op een zonnige zondag naar de Jamhuri Car Bazar, een enorm veld vol tweedehands auto’s, met handelaren, maar ook particuliere verkopers. Nogmaals: we keken alleen even rond, puur om ons te oriënteren. Twee uur later hadden we een auto gekocht.

Genoeg auto’s met een enorm stoer uiterlijk. Echte 4WD’s, maar ook mode-modelletjes, alleen geschikt voor de stad. Helaas waren de prijzen al net zo stoer als elders. Dus we waren snel uitgekeken, dachten we.
Dáchten we. Want op een onopvallend plekje stond de Japanese Moran. Zo onopvallend, dat we minimaal een half uur wanhopig liepen te zoeken toen we deze bolide een tweede keer wilden bekijken. Kritisch bekijken werd kritisch proefrijden. Gevolgd door kritisch onderhandelen. En toen was de koop gesloten. En waren we in het bezit van een Suzuki Samurai. Een Japanse krijger, door ons onmiddellijk liefdevol omgedoopt tot ‘Japanese moran’ – moran is het woord voor krijger in de Samburu en Masai taal.

Koop een auto in Afrika en je leven wordt pas echt hectisch. De koopovereenkomst opstellen, het officiële onderzoek starten naar de geschiedenis van de auto (om uit te sluiten dat het om een gestolen wagen ging) en de verzekering regelen kostte bijna een hele dag. En passant kwam ik in het bezit van een Kenyaanse pin – een administratieve code voor de belastingen, essentieel om een auto te mogen bezitten (te vergelijken met een sofinummer). Voor mij persoonlijk een kleine triomf – kijk, nu hoor ik er echt bij hier in Kenya (al verblijf ik nog altijd op een tijdelijk visum).

Die pincode was in een paar dagen geregeld. Het onderzoek naar de auto door de officiële instanties duurde aanzienlijk langer. Uiteindelijk kwam het groene licht: de Moran was kosher. Maar daarmee waren we er niet. Want het logboek van de auto moest nog altijd boven water komen. En zonder het logboek ben je nergens, vergelijk het met het overschrijven van het kentekenbewijs. Maar vier weken, vele telefoontjes en nog meer sms’jes later was ook het logboek daar – nu was de Moran echt van ons. Dit keer werkten de instanties helemaal mee, binnen de beloofde twee weken verscheen het logboek per aangetekende post, nu op onze naam.

Het plan auto was inmiddels een heus project geworden. Want natuurlijk moest er het een en ander vervangen, aangepast en verbeterd worden. Zodat het een Moran our style werd, in perfecte staat van onderhoud.
Vol enthousiasme stortte mijn lief zich op het project. Zijn inzicht in autotechniek en zijn vele contacten met allerlei handige mannetjes kwamen goed van pas. En ik vulde ondertussen gretig mijn Engelse vocabulaire aan – met termen voor onderdelen waarvan ik tot dan toe niet eens wist dat ze bestonden, en waarvan ik nu alleen de Engelse naam perfect weet.


Het concept garage is voor velerlei uitleg vatbaar in Kenya. Met olie besmeurde betonnen ruimtes met daarin een brug bestaan heus wel, bij de meeste tankstations. Maar vaker is een ‘garage’ een stuk aangestampte aarde in de buitenlucht, met ergens in een hoekje hooguit een klein optrekje van krakkemikkige golfplaten. In Westerse ogen misschien een obscure plek, maar wel zo vriendelijk voor je portemonnee. En de monteurs zijn ware professionals, met slechts een paar dopsleutels als gereedschap weten ze wonderen te verrichten.

Wie een verhaal met een hilarisch staartje verwacht omdat dit tenslotte Afrika is, komt bedrogen uit. Want al onze inspanningen werden beloond, onze intuïtie en vooral de Moran lieten ons niet in de steek. Behalve wat gesputter als de benzine bijna op is (ook in Kenya zijn de benzineprijzen inmiddels tot schrikbarende hoogte gestegen) blijft de Moran als een zonnetje rijden.

De grote vuurdoop kwam in juni, toen we met de Moran op bezoek gingen bij zijn Samburu en Masai broeders. Een safari van tien dagen, de Moran zwaar bepakt met zijn gloednieuwe imperiaal vol kampeerspullen en andere bagage. Dirtroads, regen, stof, hitte, potholes, modderpaden, de vage staat van de ‘wegen’ in de wildparken, voor de Moran was het allemaal geen probleem. Nergens werd het hachelijk, in de ergste modderpoelen hoefde de vierwiel aandrijving niet eens ingeschakeld te worden. Echte morans, Samburu en Masai krijgers, gaven de auto na iedere gamedrive liefdevol een schoonmaakbeurt.


Maar de echte erkenning kwam van een jonge mannetjesleeuw. In Masai Mara liep hij recht op de Moran af, snuffelde goedkeurend aan het reservewiel achterop, gaf er een kopje tegen en tuurde langdurig door de achterruit naar binnen.

Met de zegen van deze lion-king-in-de-dop kan het niet meer misgaan.
Dus vanaf nu zijn we in business. Te huur: compacte, betrouwbare 4WD, in perfecte staat van onderhoud, mét of zonder chauffeur, voor élke safari!


NB: Wie er aan denkt om zélf rond te gaan rijden, leest eerst mijn blog over het verkeer hier in Kenya. Een verhaal apart, binnenkort op deze weblog!

Thursday, 5 June 2008

Ondertussen in Kenya…


… staat Barack Obama prominent op de voorpagina van alle kranten. Zijn succes is ook Kenya’s succes (tenminste, zo voelen ze dat hier) en is hét gesprek van de dag. Vooral de Luo zijn opgetogen over de ‘overwinning’ van hun zoon/ oom/ neef. Premier Raila, zelf ook Luo, schijnt een oom van Obama te zijn, al zijn familiebanden hier nogal rekkelijk. Obama’s oma van vaderskant woont nog altijd in de buurt van Kisumu. Stralend staat zij de media te woord. Een nieuwe first lady is geboren, zo lijkt het.

... is er een heftig debat gaande over het al dan niet verlenen van amnestie aan de ‘daders’ van het post-verkiezings geweld. De power sharers in de regering staan weer lijnrecht tegenover elkaar: het kamp Karua en Saitoti (respectievelijk Justitie en Binnenlandse Veiligheid) versus het kamp Raila en Ruto (respectievelijk Premier en Minister van Landbouw). Tijdens het geweld begin 2008 zijn veel jongeren opgepakt, Raila en Ruto vinden dat die onvoorwaardelijk vrij moeten worden gelaten, omdat ze ‘slechts’ van hun democratische recht om te demonstreren gebruik hebben gemaakt. Karua en Saitoti zijn de hardliners (dat bleek ook al tijdens de onderhandelingen onder leiding van Kofi Annan) – zij vinden dat iedereen die is opgepakt gestraft moet worden volgens de wet, zéker degenen die betrokken waren bij verkrachting, moord of brandstiching.
Maar hoe voorkom je willekeur? En wat gebeurt er met Kenyanen die uit hoofde van hun functie excessief geweld hebben gebruikt, zoals de politie? De discussie duurt voort, ook op straat.

... is de regering eenzijdig de operatie Rudi Nyumbani gestart: de operatie GO HOME. Oftewel: de ontmanteling van de ontheemdenkampen en de re-settlement van de IDP’s (internally displaced persons), die vaak zeer tegen hun zin terug naar ‘huis’ moeten. De operatie lijkt erg haastig te worden uitgevoerd en slecht te zijn voorbereid. IDP’s worden op hun oude stek gedropt, zonder onderdak, voedsel, sanitaire voorzieningen of financiële compensatie. Dat alles is hen wel beloofd, maar wanneer ze dat gaan krijgen blijft onduidelijk. Veel IDP’s weigeren dan ook uit de kampen te vertrekken – zeker omdat ze zich absoluut nog niet veilig voelen in hun voormalige woonomgeving.
Kenya is nog altijd niet verzoend. En de regering denkt het probleem op te lossen door het gewoon weg te vagen.

... is er een haantjesgevecht gaande tussen premier Raila en vice-president Kalonzo over de vraag: wie is superieur? Oftewel: wie gaat vóór in het protocol en komt als eerste aan de beurt, ná president Kibaki? Ook hier ligt oud zeer: Raila vertegenwoordigt de Orange Democratic Movement (ODM), Kalonzo is van ODM-Kenya, een splinterpartij afgesplitst van het grotere ODM. Kalonzo’s club is als partij een kleine factor, maar wel groot genoeg om nog vóór de power sharing deal de post van vice-president in de wacht te slepen. Maar meer dan een pion in het schaakspel van president Kibaki is Kalonzo voor veel Kenyanen niet, en al zeker niet voor Raila. Kalonzo had alleen het geluk dat Kibaki in januari uit strategische overwegingen heel snel zijn halve kabinet benoemde. Maar ondertussen staat hij wel regelmatig op zijn strepen, want zijn functie is in zijn eigen ogen belangrijker dan die van Raila. Zeker bij publieke bijeenkomsten is dat soms komisch, als Kalonzo in het openbaar een scène schopt om als eerste het volk te mogen toespreken. En dat het publiek het protocolair niet met hem eens is, laat het duidelijk blijken. Kalonzo wordt regelmatig uitgejouwd.


Tijdelijk loket van de Chief's Office in Dandora (Nairobi),
het oorspronkelijke kantoor links op de achtergrond is compleet vernield door de Mungiki

... is de grote vraag: Mungiki strikes again, or not? Mungiki is een uiterst traditionele, uiterst conservatieve en uiterst christelijke sekte van Kikuyu (getalsmatig het grootste volk van Kenya), een gangsterbende die vooral de taal van het geweld spreekt (al zeggen ze zelf van niet). Delen van het land (met name de Kikuyu gebieden) en vooral het oosten van Nairobi worden compleet door de Mungiki in zijn greep gehouden. Daar zie je geen dames met broeken of met rokken boven de enkels, want dat mag niet van de Mungiki. Daar wordt iedere matatu afgeperst en de chauffeur gedwongen beschermingsgeld te betalen. Niet eens stiekem, want op weg naar de sloppenwijk Dandora ben ik ook eens getuige van een dergelijke afpersing. Een Mungiki-lid stapt voor in bij de chauffeur en begint die doodleuk om geld te vragen. De chauffeur weigert en een hele rits aan bedreigingen volgt.
Mungiki is een naam die bijna iedereen angst aanjaagt, vanwege de onvoorspelbare en bijzonder gewelddadige acties van zijn leden. De sekte wist onlangs drie dagen op rij de hele stad plat te leggen, met allerlei verrassingsaanvallen die op matatu’s gericht waren, waarbij de levens van de chauffeurs niet gespaard bleven.
Niet toevallig gebeurde dit enkele dagen nadat president Kibaki en premier Raila hun kabinet hadden aangekondigd. Heel Kenya haalde op dat moment opgelucht adem, dit leek het definitieve einde van de gewelddadige crisis, om meteen weer te worden opgeschrikt door de Mungiki-acties. Vreemd genoeg was het de Luo Raila die het geweld van de sekte tijdelijk wist te stoppen, met de belofte tot een gesprek – en niet de Kikuyu Kibaki.
Maar over het verloop van de gesprekken is Mungiki niet tevreden, zo laat de leider van de sekte vanuit de gevangenis weten. Wat vooral steekt: het zijn slechts regeringsdelegaties die in de cel komen praten, niet de hoge leiders zelf. Nu heeft Mungiki aangekondigd zaterdag 7 juni een National Prayer Day te houden – een vreedzame gebedsrally. Eigenlijk kondigt de sekte zijn acties nooit aan. Maar de politie heeft wel alvast het Uhuru Park in Nairobi hermitisch afgesloten en staat met traangasgranaten in de aanslag.


Billboard voor de verkiezingscampagne rond de Embakasi zetel

... vindt woensdag 11 juni de by-election plaats, tussentijdse verkiezingen in vijf districten, voor de parlementszetels die nog niet gevuld zijn. Reden voor de vacante zetels is ofwel moord ofwel onduidelijkheid over de verkiezingsuitslag van 27 december. Vooral om de zetel van wijlen Mugabe Were van het district Embakasi / Nairobi, die eind januari vroeg in de ochtend vóór zijn huis in Jamhuri (inderdaad, daar woon ik) werd neergeknald, wordt heftig gestreden. De moord op Were veroorzaakte destijds een nieuwe golf van geweld, vooral in Nairobi.

... vechten de matatu’s uit Eastlands letterlijk voor hun (in hun ogen) rechtmatige plek in downtown Nairobi. Het matatu-station voor alle busjes afkomstig uit de oostelijke areas, is verbannen naar de rand van de stad. Gevolg: duizenden commuters moeten dagelijks vele kilometers lopen. En de matatu’s vrezen voor verlies van inkomsten. Protesten van passagiers, van matatu’s, vreedzaam, of met geweld (er zijn al enkele doden gevallen), stakingen, het mag allemaal niet baten. Matatu’s uit het oosten blijven officieel taboe in de binnenstad. Maar onofficieel kun je ze wel vinden. Alleen heb je kans dat je gearresteerd wordt als je plaats neemt in zo’n matatu.
Eén keer tref ik een agent die besluit de passagiers alleen maar weg te sturen en een hartig woordje met de chauffeur te spreken. De passagiers vertrekken braaf... om vervolgens allemaal net zo illegaal in de matatu te springen die vlak achter hun oorspronkelijke busje stopt.

... is het water in Nairobi tot eind oktober op rantsoen. Het heeft dit jaar (het huidige seizoen van ‘zware’ regens) niet zo gek veel geregend, dus de waterbronnen drogen langzaam op. De details van de rantsoenering zijn niet helemaal helder maar best duidelijk: soms komt er water uit de kraan, soms niet. Dus heeft ieder huishouden voor de zekerheid enorme containers van minimaal 70 liter op voorraad. Watertanks doen goede zaken, zeker in Embakasi, het strijdtoneel van een felbegeerde parlementszetel. Kandidate Esther Muthoni Passari (ODM) strooit letterlijk met water – zij doet de veelgeplaagde bewoners van dit district, dat grotendeels uit sloppenwijken en eenvoudige arbeidersbuurten bestaat, water cadeau. En volgens insiders maakt zij de grootste kans op de zetel.

... zijn er bijna dagelijks power cuts, maar brak er een mediarel uit toen het hele land vorige week zondag 5 uur lang onder een black-out leed. “Schande!”, “Sabotage!”, “Staatsveiligheid in gevaar!”, krachtiger konden de media zich niet uitdrukken. En ook over deze kwestie is het laatste woord nog niet gezegd.

Wednesday, 14 May 2008

De Afrikaanse blanke

Altijd een leuk spelletje: wazungu* spotten. In een overwegend zwarte samenleving val je met je blanke velletje op, of je wilt of niet. Zelfs mijn lief kan het niet nalaten om me op collega-blanken te wijzen. En vervolgens is het raden maar: resident of niet? Al is dat eigenlijk niet zo moeilijk, want de toeristen zijn makkelijk te herkennen, aan hun kleding (zelfs in de stad dragen ze een outfit alsof het strand om de hoek is), hun zoekende houding en soms onzekere blik.

Dat het niet altijd lukt om als blanke letterlijk en figuurlijk in de samenleving op te gaan, heeft zo zijn voor- en nadelen. Vooral niet leuk: bijna iedereen ziet je als een goedgevulde geldbuidel. En dat merk je aan de kleinste details. Waar je ook loopt krijg je een taxi aangeboden (want waarom zou je je te voet verplaatsen als je geld hebt?). Vreemden spreken je zomaar aan om om geld te vragen – zelfs als ze met tassen vol boodschappen de supermarkt verlaten willen ze “een paar shilling voor transport, sister”. En als je je ook maar in de buurt van een curio shop waagt, komen de verkopers als vliegen op de stroop op je af om hun souvenirs te slijten. Rustig winkelen is er dan verder niet bij.

De kapper, nog zo’n plek waar het een nadeel is om blank te zijn. Want als je vraagt of ze ook Europees haar knippen, is het antwoord natuurlijk ja. Om vervolgens een extreem hoge prijs te vragen. Voor een knipbeurt met een gewone huis-, tuin- en keukenschaar (de locals laten hun haar nooit knippen, hooguit gebruiken ze de tondeuse). Met als resultaat een kapsel vol ongelijke strengen haar. Gelukkig doet het Kenyaanse klimaat wonderen voor mijn in Nederland zielige sprietjes – zelfs dit ongebruikelijke kapsel valt goed.

Maar vaak profiteer ik ook van mijn opvallendheid. Een paar keer per dag de immer drukke Ngong Road moeten oversteken is geen pretje. Je moet je met gevaar voor eigen leven tussen de constante stroom verkeer werpen. Vaak gaat dat in twee fasen en sta je midden op de weg te wachten op een gaatje terwijl de auto’s en matatu’s rakelings langs je heen scheren. Gelukkig zijn veel chauffeurs opvallend tolerant voor deze blanke en minderen ze vaart, gebarend dat ik door kan lopen – overigens zijn dat altijd zwarte bestuurders, de blanken crossen zonder uitzondering stoïcijns door.

Dat de politie soms verkeerscontroles uitvoert om in plaats van de staatskas het eigen salaris aan te vullen, wordt hier met tegenzin geaccepteerd. Voor de gemiddelde Kenyaan is het een dagelijkse realiteit die misschien niet in haak is, maar waar niet tegenop te boksen valt. Toch is het opvallend dat zodra de agenten een blanke als passagier ontdekken, het voertuig snel wordt doorgelaten. Al zal die houding wel veranderen op het moment dat ik zelf achter het stuur plaatsneem, dan wordt ik vast van harte opgenomen in het systeem.

En het heeft zeker voordelen dat mensen je kennen zodra ze je één keer gezien hebben. Alle kiosken in mijn buurtje weten wie ik ben. Niet alleen loop ik er dagelijks rond, ik zorg er ook voor dat ik overal klant ben. Uit sociale overwegingen, ik gun ze allemaal hun omzet, maar ook uit veiligheidsoverwegingen. Want kioskhouders kennen de omgeving als geen ander en merken de kleinste veranderingen. Vandaag groeten ze me, morgen waarschuwen ze me mocht er iets niet in de haak zijn. En omdat ik niet de illusie heb dat ik bepaalde situaties hier altijd even goed kan inschatten, geeft me dat een zeker gevoel.

Maar soms schaam ik me voor mijn blankheid. Of beter: voor mijn Westerse achtergrond. En vooral voor alles waar ik niet aan gewend ben en waar ik misschien nooit aan ga wennen. Zoals de houding tegenover voedsel. Kenyanen eten alles en gebruiken alles wat enigszins eetbaar is. Met vlees weet ik me te redden, tenminste, als het geen ingewanden zijn. De hompen vet (‘white meat’) en de botten zijn voor mijn gezelschap een ware delicatesse en kan ik met een gerust hart doorschuiven. Dus meestal eet ik vlees.

Tot ik tijdens een verblijf in Eldoret een vis voorgeschoteld krijg. Vis wordt hier van schrubben en ingewanden ontdaan, de zijkanten tot op de graat ingekerfd en dan meestal in zijn geheel krokant gebakken. Met een mes schraap je zo de stukjes filet van de graten. En zo eet ik mijn vis, tijdens een lunch break van een workshop. Voor mij voldoende, want mijn maag is nog steeds niet gewend aan de enorme hoeveelheden die je hier voorgezet krijgt. Terwijl de Kenyanen om mij heen de vis met hun vingers helemaal kaal plukken en werkelijk alles verorberen, op wat graten en het karkas van de kop na. In een omgeving waar een maaltijd nog altijd geen dagelijkse vanzelfsprekendheid is, ben ik me pijnlijk bewust van de verschillen. Toevallig zit ik in een hoek van het etablissement, met mijn rug naar de meeste andere gasten toe. Gelukkig, denk ik.

Maar zo makkelijk kom ik niet met mijn visje weg. Want na de lunch weten de Kenyanen me te vinden. En volgt in alle vrolijkheid een ondervraging over mijn eetgewoonten. “Heb je de kop van de vis gegeten?” “Nee, ik heb de kop niet gegeten.” “Hoe heb je de vis gegeten, met bestek?” “Ja, met mes en vork.” “Hoe kun je een vis eten met bestek, dan heb je toch helemaal niet gegeten! Zo krijg je toch helemaal niets van de vis binnen!”
Opgewonden lachend praten ze er met elkaar over door. Totaal niet verontwaardigd, zich gewoon verbazend over mijn vreemde benadering van de vis. Maar ik heb zeker de helft laten liggen van wat voor hen eetbaar is, voel me een verwend kreng en schaam me diep.

Wat dan weer heel ontroerend is: ze accepteren het. Ze vinden me totaal niet verwend, zijn slechts gefascineerd door de verschillen. Misschien omdat ze me nog altijd als een geëerde gast in hun midden beschouwen. Misschien omdat ik mijn uiterste best doe om écht een van hen te worden, tenminste, als we niet eten. En dat dat aardig lukt, blijkt uit een opmerking van een collega die ik terloops opvang. “Ja, ze is dan wel een mzungu*, maar wel een mzungu mafrika.”
Een Afrikaanse blanke. Met mijn integratie komt het best goed.

* wazangu = blanken (meervoud)
* mzungu = blanke (enkelvoud)