Monday, 28 July 2008

Anarchistisch en suïcidaal


Een van de klassiekers van Koot & Bie (tenminste, in mijn ogen) is de rijles-scène. Van Kooten instrueert De Bie voor zijn rij-examen. Asociaal rijgedrag, bumperkleven, anderen bijna van de weg drukken, rechts inhalen, ver boven de maximumsnelheid rijden, niet op voetgangers of fietsers letten, geen voorrang verlenen, opzettelijk spookrijden, afsnijden, middelvinger opsteken en dan langzaam 'klootzak' in de achteruitkijkspiegel mimen... Ik heb de sketch slechts één keer gezien, maar het heeft een onuitwisbare indruk op me gemaakt.

Waren Koot & Bie destijds al profetisch voor het toekomstige rijgedrag van sommige Nederlanders, ze schetsten ook een zeer realistisch beeld van het verkeer hier in Kenia en vooral hier in Nairobi. Want behalve de middelvinger en de klootzak, is dat soort rijgedrag hier doodnormaal.

Anarchistisch en suïcidaal, een andere beschrijving is er niet voor. Het recht van de sterkste geldt hier op én langs de weg. En die sterkste is... de matatu.* Die weet zelfs ondanks de files en andere opstoppingen met een noodgang door het verkeer te jakkeren. En maakt daarbij gebruik van alle Koot & Bie trucjes.

Passagiers opgepikt langs de kant van de weg? De matatu gáát gewoon de weg op, of er al een andere verkeersdeelnemer rijdt of niet. Als matatu druk je die gewoon van de weg. Is de voorganger te langzaam (lees: houdt die zich aan de maximumsnelheid)? De matatu kan het niet nalaten hardnekkig te bumperkleven en onderneemt dan een inhaalmanoeuvre, gaatje of niet. Om vervolgens vaak de ingehaalde auto af te snijden, als er ineens potentiële passagiers langs de weg staan. File? De matatu heeft twee mogelijkheden: spookrijden (voor zichzelf een extra baan creëren op een éénbaansweg, tegenliggers of niet) of, nog beter, gewoon even van de weg áf, om over het ernaast liggende voetpad verder te scheuren. En als daar toevallig net voetgangers lopen? Jammer dan.

Jammer ook voor de matatu’s zelf. En hun passagiers. Want bij de meeste verkeersongelukken zijn matatu’s betrokken. Niet zelden met dodelijke afloop. Slachtoffers van tragische verkeersongevallen staan dagelijks in groten getalen in de krant.

Matatu-menace of matatu-madness heet het hier. Maar ook andere verkeersdeelnemers kunnen er wat van. Nairobi is eigenlijk altijd één grote file. Niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat alle belangrijke doorgaande wegen vaak éénbaans zijn (zoals Ngong Road) en de aanvoerwegen hooguit tweebaans. Het is letterlijk dringen om de beschikbare ruimte. Dus proppen bestuurders hun vehikel in de kleinst beschikbare gaatjes, met heel weinig tussenruimte. Niets afwachten tot iemand je er tussenlaat, je plaats op de weg néém je.


En dan sta je dus hopeloos stil. Geen nood, overal lopen boys kranten te verkopen. En de belangrijkste knooppunten richting downtown worden allemaal bediend door straatverkopers. Elk met hun eigen wijk: op de ene straathoek is het aanbod fruit, elders speelgoed, of handige huishoudhulpjes (inclusief de onmisbare Superglue), of pinda’s, of Keniaanse vlaggetjes, of auto-accessoires.

Goed. Van deze chaos maak ik vrijwillig deel uit. Na drie keer slikken, dat wel. En hardop nadenken, want alles is in spiegelbeeld – erfenis van de Britten: met links schakelen, rechts sturen, links de handrem, zelfs de ruitenwisser en richtingaanwijzer zitten omgekeerd aan het stuur. Maar alles went. Zelfs het anarchistische en suïcidale Keniaanse verkeer. How to bluff your way into Nairobi traffic...

Wat een beetje helpt: de filedruk verschilt van dag tot dag. Halverwege de maand, als bij veel Kenianen het geld bijna op is, is er opvallend minder verkeer op de weg. Ook de schoolvakanties verminderen de drukte op de weg – geen opstoppingen meer van dikke bolides bij de posh scholen hier in de buurt, waar de beter gesitueerden hun kroost droppen. En de alarmerend hoge benzineprijs heeft helemaal zijn zegeningen voor het verkeer; bijna iedereen moet de auto vaker laten staan. Soms is het verkeer dus iets minder chaotisch.

Als je er lang genoeg deel van uitmaakt, ondek je zelfs een soort van systeem. Er zijn best verkeersregels. En voor zover die niet voldoen, heb je een aantal extra hulpmiddelen. Oogcontact – om de reactie van je medeweggebruiker te peilen als je op zoek bent naar een gaatje. Je buitenste knipperlicht – om een tegenligger te waarschuwen dat hij echt op zijn eigen weghelft moet blijven. Je grote licht – om aan te geven dat je ruimte open laat voor de ander. En natuurlijk je claxon – ‘hier kom ik! maak plaats’, om niet al te subtiel te laten weten dat jij degene bent die voorrang heeft. En zelfs je hand uitsteken – om je knipperlicht kracht bij te zetten en een gaatje af te dwingen in een bumper aan bumper situatie. Of om de ander er tussen te wuiven. Ongeschreven regels, die zo universeel zijn, dat je als mede-weggebruiker pas serieus wordt genomen als je ze ook echt toepast.

Allemaal regels die niet in het boekje staan. Wat wel in het boekje is opgenomen: alle verkeersborden, dezelfde als die in Nederland. Alleen zie je ze hier amper langs de weg staan. Toch dien je ze allemaal te kennen, voor het Keniaanse rij-examen. Waar ook ik aan moet gaan geloven, want het is tegenwoordig voor buitenlanders de enige manier om een Keniaans rijbewijs te bemachtigen. Een paar rondjes rijden, meer schijnt het niet te zijn. Als je tenminste de verkeersborden weet te benoemen. En als je goed met de speelgoed-autootjes kunt omgaan.

Niet alle ingewikkelde verkeerssituaties kunnen in het praktijkexamen aan bod komen. Maar de Keniaanse verkeerspolitie is inventief: die creëert die situaties gewoon binnen, in mini-formaat. Aan de kandidaat de taak om een speelgoed-autootje volgens de regels van punt A naar punt B te brengen, en dan naar punt C en dan misschien ook nog naar punt D. Denk niet dat het hier om een simpel kruispuntje ofzo gaat. Nee, de meest gecompliceerde rotondes komen aan bod.

Rotondes! De nachtmerrie herhaalt zich... van het Nederlandse rij-examen naar het Keniaanse. En natuurlijk zijn de rotonde-regels hier totaal anders dan die in Nederland. Niet eens in spiegelbeeld. Al bijna vijftien jaar achter het stuur en nu duik ik opnieuw de boeken in, voor een rij-examen.

* Matatu’s: mini-busjes die bij wijze van openbaar vervoer vaste routes rijden

Wednesday, 9 July 2008

The Japanese Moran


Ineens hadden we besloten dat er een auto moest komen. Niet eens zozeer omdat we het zat waren ons te voet of per matatu te moeten verplaatsen. Meer met het oog op de toekomst. Mijn lief was nog altijd in afwachting van de terugkeer van de toeristen, zodat hij weer af en toe werk en dus een inkomen had.

Maar niets doen is niets voor hem. Bovendien is maandenlang overleven op een heel klein beetje geld best verhelderend: een andere inkomstenbron was meer dan welkom, naast het toerisme, dat onder invloed van de recente chaos in Kenya heel grillig bleek te zijn.
Dus hadden we veel gebrainstormd en een plan gemaakt. En dat plan heette AUTO. Te gebruiken voor safari’s, transfers en andere (taxi) ritjes. Helemaal multi-purpose.

Niet zomaar een auto, maar een echte four wheel drive. Net als in Nederland is dat type hier in Nairobi heel erg hip. Het enige verschil is dat je in Kenya buiten de stad zo’n auto ook echt nodig hebt, zeker in de regentijd, gezien de schrikbarend slechte staat van de wegen.

Op zoek naar een four wheel drive dus. Maar waar vind je in Nairobi in vredesnaam die tweedehands auto van een oud dametje, eerste eigenaar, weinig kilometers op de teller, altijd bij de dealer onderhouden?
Nergens, want dat dametje bestaat niet. En die dealer al helemaal niet.

Dus hoe gaat dat. Je schakelt al je contacten in. En krijgt vervolgens de meest obscure auto’s aangeboden. Verder neus je eens wat in de krant en bezoekt wat handelaren in meerdehands auto’s. Dan kijk je eens rond op typische expat-plekken, zoals de grote winkelcentra, waar altijd wel een vitrine hangt met ‘Quick sales’. Vertrekkende expats willen vaak snel van hun bolide af, dat zou de prijs moeten drukken. Helaas volgt de praktijk in dit geval niet de theorie. Overal prachtauto’s, daar niet van, maar ook allemaal schrikbarend boven budget.

We waren ons nog steeds aan het oriënteren. Dat bracht ons op een zonnige zondag naar de Jamhuri Car Bazar, een enorm veld vol tweedehands auto’s, met handelaren, maar ook particuliere verkopers. Nogmaals: we keken alleen even rond, puur om ons te oriënteren. Twee uur later hadden we een auto gekocht.

Genoeg auto’s met een enorm stoer uiterlijk. Echte 4WD’s, maar ook mode-modelletjes, alleen geschikt voor de stad. Helaas waren de prijzen al net zo stoer als elders. Dus we waren snel uitgekeken, dachten we.
Dáchten we. Want op een onopvallend plekje stond de Japanese Moran. Zo onopvallend, dat we minimaal een half uur wanhopig liepen te zoeken toen we deze bolide een tweede keer wilden bekijken. Kritisch bekijken werd kritisch proefrijden. Gevolgd door kritisch onderhandelen. En toen was de koop gesloten. En waren we in het bezit van een Suzuki Samurai. Een Japanse krijger, door ons onmiddellijk liefdevol omgedoopt tot ‘Japanese moran’ – moran is het woord voor krijger in de Samburu en Masai taal.

Koop een auto in Afrika en je leven wordt pas echt hectisch. De koopovereenkomst opstellen, het officiële onderzoek starten naar de geschiedenis van de auto (om uit te sluiten dat het om een gestolen wagen ging) en de verzekering regelen kostte bijna een hele dag. En passant kwam ik in het bezit van een Kenyaanse pin – een administratieve code voor de belastingen, essentieel om een auto te mogen bezitten (te vergelijken met een sofinummer). Voor mij persoonlijk een kleine triomf – kijk, nu hoor ik er echt bij hier in Kenya (al verblijf ik nog altijd op een tijdelijk visum).

Die pincode was in een paar dagen geregeld. Het onderzoek naar de auto door de officiële instanties duurde aanzienlijk langer. Uiteindelijk kwam het groene licht: de Moran was kosher. Maar daarmee waren we er niet. Want het logboek van de auto moest nog altijd boven water komen. En zonder het logboek ben je nergens, vergelijk het met het overschrijven van het kentekenbewijs. Maar vier weken, vele telefoontjes en nog meer sms’jes later was ook het logboek daar – nu was de Moran echt van ons. Dit keer werkten de instanties helemaal mee, binnen de beloofde twee weken verscheen het logboek per aangetekende post, nu op onze naam.

Het plan auto was inmiddels een heus project geworden. Want natuurlijk moest er het een en ander vervangen, aangepast en verbeterd worden. Zodat het een Moran our style werd, in perfecte staat van onderhoud.
Vol enthousiasme stortte mijn lief zich op het project. Zijn inzicht in autotechniek en zijn vele contacten met allerlei handige mannetjes kwamen goed van pas. En ik vulde ondertussen gretig mijn Engelse vocabulaire aan – met termen voor onderdelen waarvan ik tot dan toe niet eens wist dat ze bestonden, en waarvan ik nu alleen de Engelse naam perfect weet.


Het concept garage is voor velerlei uitleg vatbaar in Kenya. Met olie besmeurde betonnen ruimtes met daarin een brug bestaan heus wel, bij de meeste tankstations. Maar vaker is een ‘garage’ een stuk aangestampte aarde in de buitenlucht, met ergens in een hoekje hooguit een klein optrekje van krakkemikkige golfplaten. In Westerse ogen misschien een obscure plek, maar wel zo vriendelijk voor je portemonnee. En de monteurs zijn ware professionals, met slechts een paar dopsleutels als gereedschap weten ze wonderen te verrichten.

Wie een verhaal met een hilarisch staartje verwacht omdat dit tenslotte Afrika is, komt bedrogen uit. Want al onze inspanningen werden beloond, onze intuïtie en vooral de Moran lieten ons niet in de steek. Behalve wat gesputter als de benzine bijna op is (ook in Kenya zijn de benzineprijzen inmiddels tot schrikbarende hoogte gestegen) blijft de Moran als een zonnetje rijden.

De grote vuurdoop kwam in juni, toen we met de Moran op bezoek gingen bij zijn Samburu en Masai broeders. Een safari van tien dagen, de Moran zwaar bepakt met zijn gloednieuwe imperiaal vol kampeerspullen en andere bagage. Dirtroads, regen, stof, hitte, potholes, modderpaden, de vage staat van de ‘wegen’ in de wildparken, voor de Moran was het allemaal geen probleem. Nergens werd het hachelijk, in de ergste modderpoelen hoefde de vierwiel aandrijving niet eens ingeschakeld te worden. Echte morans, Samburu en Masai krijgers, gaven de auto na iedere gamedrive liefdevol een schoonmaakbeurt.


Maar de echte erkenning kwam van een jonge mannetjesleeuw. In Masai Mara liep hij recht op de Moran af, snuffelde goedkeurend aan het reservewiel achterop, gaf er een kopje tegen en tuurde langdurig door de achterruit naar binnen.

Met de zegen van deze lion-king-in-de-dop kan het niet meer misgaan.
Dus vanaf nu zijn we in business. Te huur: compacte, betrouwbare 4WD, in perfecte staat van onderhoud, mét of zonder chauffeur, voor élke safari!


NB: Wie er aan denkt om zélf rond te gaan rijden, leest eerst mijn blog over het verkeer hier in Kenya. Een verhaal apart, binnenkort op deze weblog!