Wednesday, 14 May 2008

De Afrikaanse blanke

Altijd een leuk spelletje: wazungu* spotten. In een overwegend zwarte samenleving val je met je blanke velletje op, of je wilt of niet. Zelfs mijn lief kan het niet nalaten om me op collega-blanken te wijzen. En vervolgens is het raden maar: resident of niet? Al is dat eigenlijk niet zo moeilijk, want de toeristen zijn makkelijk te herkennen, aan hun kleding (zelfs in de stad dragen ze een outfit alsof het strand om de hoek is), hun zoekende houding en soms onzekere blik.

Dat het niet altijd lukt om als blanke letterlijk en figuurlijk in de samenleving op te gaan, heeft zo zijn voor- en nadelen. Vooral niet leuk: bijna iedereen ziet je als een goedgevulde geldbuidel. En dat merk je aan de kleinste details. Waar je ook loopt krijg je een taxi aangeboden (want waarom zou je je te voet verplaatsen als je geld hebt?). Vreemden spreken je zomaar aan om om geld te vragen – zelfs als ze met tassen vol boodschappen de supermarkt verlaten willen ze “een paar shilling voor transport, sister”. En als je je ook maar in de buurt van een curio shop waagt, komen de verkopers als vliegen op de stroop op je af om hun souvenirs te slijten. Rustig winkelen is er dan verder niet bij.

De kapper, nog zo’n plek waar het een nadeel is om blank te zijn. Want als je vraagt of ze ook Europees haar knippen, is het antwoord natuurlijk ja. Om vervolgens een extreem hoge prijs te vragen. Voor een knipbeurt met een gewone huis-, tuin- en keukenschaar (de locals laten hun haar nooit knippen, hooguit gebruiken ze de tondeuse). Met als resultaat een kapsel vol ongelijke strengen haar. Gelukkig doet het Kenyaanse klimaat wonderen voor mijn in Nederland zielige sprietjes – zelfs dit ongebruikelijke kapsel valt goed.

Maar vaak profiteer ik ook van mijn opvallendheid. Een paar keer per dag de immer drukke Ngong Road moeten oversteken is geen pretje. Je moet je met gevaar voor eigen leven tussen de constante stroom verkeer werpen. Vaak gaat dat in twee fasen en sta je midden op de weg te wachten op een gaatje terwijl de auto’s en matatu’s rakelings langs je heen scheren. Gelukkig zijn veel chauffeurs opvallend tolerant voor deze blanke en minderen ze vaart, gebarend dat ik door kan lopen – overigens zijn dat altijd zwarte bestuurders, de blanken crossen zonder uitzondering stoïcijns door.

Dat de politie soms verkeerscontroles uitvoert om in plaats van de staatskas het eigen salaris aan te vullen, wordt hier met tegenzin geaccepteerd. Voor de gemiddelde Kenyaan is het een dagelijkse realiteit die misschien niet in haak is, maar waar niet tegenop te boksen valt. Toch is het opvallend dat zodra de agenten een blanke als passagier ontdekken, het voertuig snel wordt doorgelaten. Al zal die houding wel veranderen op het moment dat ik zelf achter het stuur plaatsneem, dan wordt ik vast van harte opgenomen in het systeem.

En het heeft zeker voordelen dat mensen je kennen zodra ze je één keer gezien hebben. Alle kiosken in mijn buurtje weten wie ik ben. Niet alleen loop ik er dagelijks rond, ik zorg er ook voor dat ik overal klant ben. Uit sociale overwegingen, ik gun ze allemaal hun omzet, maar ook uit veiligheidsoverwegingen. Want kioskhouders kennen de omgeving als geen ander en merken de kleinste veranderingen. Vandaag groeten ze me, morgen waarschuwen ze me mocht er iets niet in de haak zijn. En omdat ik niet de illusie heb dat ik bepaalde situaties hier altijd even goed kan inschatten, geeft me dat een zeker gevoel.

Maar soms schaam ik me voor mijn blankheid. Of beter: voor mijn Westerse achtergrond. En vooral voor alles waar ik niet aan gewend ben en waar ik misschien nooit aan ga wennen. Zoals de houding tegenover voedsel. Kenyanen eten alles en gebruiken alles wat enigszins eetbaar is. Met vlees weet ik me te redden, tenminste, als het geen ingewanden zijn. De hompen vet (‘white meat’) en de botten zijn voor mijn gezelschap een ware delicatesse en kan ik met een gerust hart doorschuiven. Dus meestal eet ik vlees.

Tot ik tijdens een verblijf in Eldoret een vis voorgeschoteld krijg. Vis wordt hier van schrubben en ingewanden ontdaan, de zijkanten tot op de graat ingekerfd en dan meestal in zijn geheel krokant gebakken. Met een mes schraap je zo de stukjes filet van de graten. En zo eet ik mijn vis, tijdens een lunch break van een workshop. Voor mij voldoende, want mijn maag is nog steeds niet gewend aan de enorme hoeveelheden die je hier voorgezet krijgt. Terwijl de Kenyanen om mij heen de vis met hun vingers helemaal kaal plukken en werkelijk alles verorberen, op wat graten en het karkas van de kop na. In een omgeving waar een maaltijd nog altijd geen dagelijkse vanzelfsprekendheid is, ben ik me pijnlijk bewust van de verschillen. Toevallig zit ik in een hoek van het etablissement, met mijn rug naar de meeste andere gasten toe. Gelukkig, denk ik.

Maar zo makkelijk kom ik niet met mijn visje weg. Want na de lunch weten de Kenyanen me te vinden. En volgt in alle vrolijkheid een ondervraging over mijn eetgewoonten. “Heb je de kop van de vis gegeten?” “Nee, ik heb de kop niet gegeten.” “Hoe heb je de vis gegeten, met bestek?” “Ja, met mes en vork.” “Hoe kun je een vis eten met bestek, dan heb je toch helemaal niet gegeten! Zo krijg je toch helemaal niets van de vis binnen!”
Opgewonden lachend praten ze er met elkaar over door. Totaal niet verontwaardigd, zich gewoon verbazend over mijn vreemde benadering van de vis. Maar ik heb zeker de helft laten liggen van wat voor hen eetbaar is, voel me een verwend kreng en schaam me diep.

Wat dan weer heel ontroerend is: ze accepteren het. Ze vinden me totaal niet verwend, zijn slechts gefascineerd door de verschillen. Misschien omdat ze me nog altijd als een geëerde gast in hun midden beschouwen. Misschien omdat ik mijn uiterste best doe om écht een van hen te worden, tenminste, als we niet eten. En dat dat aardig lukt, blijkt uit een opmerking van een collega die ik terloops opvang. “Ja, ze is dan wel een mzungu*, maar wel een mzungu mafrika.”
Een Afrikaanse blanke. Met mijn integratie komt het best goed.

* wazangu = blanken (meervoud)
* mzungu = blanke (enkelvoud)