Saturday, 11 April 2009

Klein Afrika

Even zijn we geen welwillende vreemden, maar vrienden. Vrienden in een waterballet, als er na vier weken eindelijk weer water uit de kraan stroomt in ons appartementengebouw. Iedereen loopt euforisch de trappen op en neer, met natte haren van het douchen, met was die weken geleden al een sopje nodig had, of met volle emmers om de auto eens een goede poetsbeurt te geven. Behalve de obligate begroetingen die we normaal gesproken uitwisselen blijken we nu ook een praatje te kunnen maken. Hoera, er is weer water (ook al is het niet schoon, dus we blijven gedwongen met volle jerrycans van elders slepen om zonder risico voor onze gezondheid te kunnen koken en afwassen).

Elk appartementengebouw is een micro-kosmos, een wereld op zich met zijn eigen opmerkelijke bewoners en gewoontes. Het gebouw waar ik woon is daar geen uitzondering op – dat is Klein Afrika, met een licht Europees tintje. Voor dat laatste ben ik verantwoordelijk.
Maar de Afrikaanse invloed rijkt verder dan de Keniaanse buren. Auto’s met Ugandese en Tanzaniaanse nummerplaten voor de poort. Een Congolese buurman, verstrikt in onfrisse zaakjes. Verderop een goudhandelaar uit Kameroen, al bijna net zo onfris. En in de wijde omtrek ontelbaar veel Ehtiopiërs, die bijna de hele middenstand in Jamhuri domineren, en Sudanezen, die van de vergoeding die de vluchtelingenstatus hen geeft ruim kunnen leven in deze middenklasse wijk.

De Tanzaniaanse auto is als een kostbaar juweel, dat meer wordt opgepoetst dan gebruikt. Eigenaar is mijn Masai-buurman, vanuit Tanzania naar Nairobi getrokken, net zoals alle Masai nachtwakers die in Jamhuri dienst doen. Af en toe wordt de auto uitgelaten, door buurman en al zijn vrienden. Stapvoets cruisen ze ermee door de wijk, voor zover als ze de benzine kunnen betalen. Bongo flava (de hippe Swahili muziek uit Tanzania die ook de Keniaanse trendy scene domineert) schalt uit de boxen en de open ramen, kortom, in potentie is het een echte babe-magneet. Alleen jammer dat de auto niet ver komt. En dat hij meestal met hulp gestart moet worden – met hulp van startkabels en onze eigen bolide.

Uganda is met twee auto’s vertegenwoordigd. Eigendom van de Congolese buurman, die met zijn Ugandese vrouw een appartement op de begane grond bewoont. En van daaruit zijn imperium bestiert. Dat vergt vooral heel veel telefoontjes, die gedwongen door het slechte bereik binnenshuis, in de buitenlucht, vlak onder mijn raam, worden gevoerd. Soms in het Swahili, soms in het Engels, soms in het Frans, soms in een lokale Congolese taal. Met onze gezamenlijke talenkennis komen mijn lief en ik een heel eind in het ontrafelen van zijn duistere zaakjes. Wat er precies verhandeld wordt, blijft onduidelijk, maar het gaat om schimmige partijen, waar altijd een connectie met Dubai in voorkomt. En ‘de goederen’ komen uit Congo, maar krijgen dankzij buurman’s contacten officiële Keniaanse uitvoerpapieren. Ivoor? Tropisch hardhout? Goud?

Goud is een gouden business, want ook Monsieur Cameroun handelt in dit edelmetaal. Hij spreekt mij op straat aan, in het Frans, in de hoop dat dat ook mijn moedertaal is. Van de koetjes en kalfjes doet hij me binnen vijf minuten eerst een romantisch en als dat niets uithaalt een zakelijk voorstel. Of het allemaal legaal is wat hij doet, blijft de vraag. Ik besluit niet naar antwoorden te zoeken, maar deze mijnheer op een vriendelijke afstand te houden.

De Keniaanse buurman daarentegen voegen we onmiddellijk aan ons netwerk toe. Want hij is in het bezit van een Nissan-busje, het meest gebruikte vervoermiddel voor toeristen. Wie weet is hij op een dag op zoek naar een chauffeur, of kunnen wij zijn busje voor een van onze reizen gebruiken. Maar het kost ons heel wat gepuzzel voor we zover zijn. Het duurt maanden voor we de juiste connectie gevonden hebben – het Nissan-busje staat overduidelijk voor onze poort geparkeerd, de buurman groeten we vele malen bij het passeren op de trap, maar als bij toeval weten we uiteindelijk de link tussen de twee te leggen.

De andere appartementen in het complex zijn vrouwenbolwerken. Met mijn gebrek aan ervaring in de sociale verhoudingen in Kenia en met mijn nog altijd schrikbarend geringe kennis van het Swahili, is het mij lang niet altijd duidelijk hoe die gezinnen zijn samengesteld. Wie is de moeder (vrouw des huizes), wie de zus of tante, wie de house girl en wie de dochter? De dames die in de lome middaguren op de compound samen groepen om eens lekker in het Swahili te roddelen, zijn in ieder geval house girls, huishoudelijke hulpen. Niet dat die wetenschap veel helpt, want alle buren hebben de neiging om die meiden iedere paar maanden te vervangen – net als ik een beetje door begin te krijgen wie wie is.

Gelukkig spreekt de luidruchtigste buurvrouw van het hele gebouw voornamelijk Engels. Deze dame heeft laten we zeggen een zeer gezond sex-leven, of tenminste, dat wil ze haar minnaar doen geloven. En wij mogen daar (heel on-Kenyaans) van meegenieten. Alsook van de ontelbare ruzies die ze met dezelfde mijnheer uitvecht. De strijd draait altijd om dezelfde thema’s: geld, geld, geld en zijn gebrek aan aandacht en inlevingsvermogen. En dan komen de gemene verwijten. Zo blijkt de heer in kwestie samen met deze dame hier in Nairobi van het leven te genieten, terwijl hij elders vrouw en kinderen heeft. Tegen de tijd dat er schoolgeld betaald moet worden, rekenen wij alweer op een volgende jaloerse uitbarsting van de lawaai-papegaai. Ondanks haar status als minnares en tweede vrouw, is ze vast van plan om deze heer via een huwelijk voorgoed aan zich te binden, want ze is ‘soooooo happy’ – zoals ze tegen al haar vriendinnen door de telefoon gilt. Maar het lukt de twee niet om de zegen van hun familie te krijgen, goed voor een nieuwe serie explosies. Wordt ongetwijfeld (heftig) vervolgd.

Al zolang ik in Kenya woon, is het er nog niet van gekomen een televisie aan te schaffen. En eigenlijk is dat ook helemaal niet nodig. Want de verslavende soap speelt zich bijna dagelijks onder mijn slaapkamerraam af – de mysterieuze meertalige telefoongesprekken van de Congolees, de oergeluiden die mijn buurvrouw voortbrengt, of de heftige ruzies die zij met haar geliefde voert. Ademloos volgen we alle drama’s vanuit de veiligheid van ons bed.
Buren! Frans Bromet zou zijn vingers er bij aflikken.

Friday, 6 March 2009

Hartverscheurend


Nefisa. Zomaar een meisje uit Kibera. Of eigenlijk niet zomaar een meisje, maar eentje uit de buitencategorie. Een dame die boven de massa uitstijgt: briljant, mooi & slim - een fonkelende diamant in de dop, nog een beetje ruw en ongeslepen, maar met een enorm potentieel. Als laatst geborene de oogappel van haar moeder en de rest van het gezin. Populair bij haar klasgenoten én bij haar leraren, vanwege haar slimheid en vanwege haar scociale instelling. Met haar 18 jaar lag de toekomst helemaal voor haar open.

Vol overtuiging stond ze in het leven. Met diezelfde overtuiging nam ze deel aan een van onze workshops in Kibera, waarin we de jeugd trainden in conflict transformatie (positief omgaan met conflicten). Nefisa was een model-deelneemster. Zo eentje die je hoop geeft voor de emancipatie van de Keniaanse vrouw én voor de toekomst van de sloppenwijk Kibera.

Zoveel potentie... en dat alles was in één klap weg. Nefisa is donderdagochtend gestorven, aan een ziekte die ze niet had.

Dit is weer een voorbeeld van de onmacht die ik voel als het gaat om de Kenyaanse gezondheidszorg. Dat er iets mis was met Nefisa, dat was duidelijk. Al bijna twee weken gleed ze in en uit een coma. Ze had de allerbeste zorg nodig, maar kwam vanwege de financiële omstandigheden van haar familie niet verder dan het staatsziekenhuis, Kenyatta National Hospital. Het ziekenhuis waarvan de Lonely Planet toeristen aanraadt om het vooral met een grote boog te vermijden. Het ziekenhuis dat ik inmiddels ook langs heb horen komen tijdens de trauma sharing sessies in Eldoret – de naam alleen al werkt traumatiserend. Maar hoe verschrikkelijk veel Kenyanen dit ziekenhuis ook vinden, vaak hebben ze geen alternatief. Omdat ze betere zorg gewoonweg niet kunnen betalen.

Nefisa kreeg alle mogelijke tests en scans. Maar de dokters konden niets vinden. En dus kwam Nefisa ergens in de loop van die twee weken weer thuis, in de volle overtuiging van haar familie dat zij beter voor haar konden zorgen dan de overbelaste verpleegsters in het Kenyatta ziekenhuis.

Dinsdagavond ging het mis. Het dichtstbijzijnde hospitaal waar ze in allerijl heen werd gebracht bleek niet eens faciliteiten om te reanimeren te hebben. Dus moest Nefisa per ambulance met spoed opnieuw naar het verder gelegen Kenyatta. Voor die ambulance service en de bijbehorende opname op de intensive care moest haar familie wel eerst de rechten op hun lapje grond in Kibera als onderpand geven. Nefisa werd met succes gereanimeerd en leek op de intensive care langzaam te herstellen van die nog altijd onbekende aandoening. Die haar uiteindelijk donderdagochtend alsnog fataal werd.

Vandaag was de begrafenis, geheel volgens moslim-traditie binnen 24 uur. Het moment waarop Nefisa’s lichaam haar familie’s compound werd uitgedragen, op weg naar de moskee en uiteindelijk haar graf, was hartverscheurend. Alle vrouwen bleven traditiegetrouw achter, onder luid geweeklaag en gehuil. Iedereen was totaal verslagen.

Het nieuws van Nefisa’s overlijden kwam ook bij mij ongelooflijk hard aan. Gewoon, omdat ze nog niet eens in de bloei van haar leven was. En zo talentvol was. En omdat het zo onrechtvaardig is dat ze niet de zorg kon krijgen die ze nodig had.
Nefisa had zoveel meer verdiend in dit leven.

NB: Vanaf nu ga ik mijn blog-leven echt beteren. Ik was een behoorlijke tijd uit de lucht, vanwege een Europees virus dat blijkbaar ook in Afrika bestaat – “drukdrukdruk”. Veel sociale gebeurtenissen (de weekenden waren een aaneenschakeling van bruiloften en andere festiviteiten) en heel veel ‘dienstreizen’, binnen & buiten Kenia (Uganda, Ierland). Never a dull moment in & out of Africa, maar soms is een pas op de plaats met wat tijd voor reflectie broodnodig. Vanaf heden hopelijk meer rust & reflectie. En dat leidt automatisch tot meer blogs!