Een nieuwe start in een totaal ander land is natuurlijk niet echt zonder wat spullen te verschepen. Lang niet alles mocht of kon mee als mijn persoonlijke bagage in het vliegtuig, dus stuurde ik dat via air cargo alvast vooruit. Simpel: je brengt het naar het bagagecentrum op Schiphol, vult wat formulieren in, betaalt de transportkosten plus 35 euro handling fee en staat na een kwartier weer buiten. In mijn geval in de wetenschap dat mijn air cargo bijna tegelijkertijd naar Nairobi zou vliegen. Ik met Swiss Air, de goederen met KLM.
De ochtend na mijn aankomst in Kenya ontvang ik keurig volgens afspraak een telefoontje van Kenya Airways (partner van KLM) dat de spullen zijn aangekomen. Of ik ze maar even op wil komen halen op het vliegveld. So far so good.
Nairobi Cargo Centre op Jomo Kenyatta Airport. Dat klinkt best cosmopolitisch. Maar het blijkt een ondoorzichtig labyrint van duistere kantoortjes, gangen, trappen en hallen te zijn, die in een onverklaarbare volgorde moeten worden bezocht. Maar gelukkig zijn daar de fixers, in het bezit van een officiële vliegveld-pas, die als magneten op de mzungu (blanke) afkomen. En de hele tijd heb ik het gevoel dat dit een typisch staaltje van typecasting is: mzungu betekent hier vooral kassa! Wat vast ook niet helpt, is dat ik arriveer in het gezelschap van twee locals, een chauffeur en mijn lief. Dus storten zich maar liefst twee fixers op het helpen inklaren van mijn goederen.
Mijn begeleiders krijgen tegen inlevering van hun ID een visitor’s pas. Vreemd genoeg mag ik die procedure overslaan, want mijn paspoort is nodig voor het inklaren. We worden allemaal gefouilleerd, de eerste keer van talloze malen. En dan begint de onbegrijpelijke ronde langs loketten en kantoortjes. De fixers doen het prima, de officiële papieren zijn in no time gevonden en binnen het uur hebben we een flink aantal stappen in de goede richting gezet. So far so smooth.
In de ontvangsthal staan mijn dozen netjes op een pallet te wachten. Een douane beambte komt de spullen persoonlijk inspecteren. Doos voor doos moet open. Voor de grofheid waarmee mijn spullen worden betast sluit ik maar even mijn ogen. Maar ook de inspectie verloopt vlot. Niets staat een verdere snelle afhandeling in de weg.
Wat dan volgt is een dag van Afrikaans wachten, en vooral veel Afrikaans discussiëren. Is wat de fixers doen al onbegrijpelijk, wat ze precies van me willen is al helemaal niet te verklaren. Letterlijk, want ondanks talloze verzoeken kunnen ze het buitensporige bedrag waarmee ze op de proppen komen niet rechtvaardigen. Twaalfduizend shilling willen ze, grofweg 120 euro, waarvan slechts 1750 shilling echt te verklaren zijn (handling fee plus administratiekosten).
Die betaal ik en verder is het een welles-nietes spelletje, een schaakspel van aantrekken en afstoten. Met een behoorlijke patstelling. Zij beweren mij hoge invoerrechten te besparen, en willen dat verschil delen. Plus wat ondefinieerbare uitgaven bij me claimen.
Ik weet zeker dat ik al mijn spullen onbelast mag invoeren, het gaat slechts om ‘personal effects’: kleding, boeken en wat kampeerspullen, allemaal gebruikt. Geen dure spullen of fancy electronica, niets met een hoge handelswaarde.
Natuurlijk wil ik ze belonen voor hun hulp, maar dik tienduizend shilling (circa 100 euro) vind ik een extreem hoge verdienste voor een halve dag werk. Als ik ze vertel waarom ik naar Kenya verhuis en dat ze de helft van mijn maandelijkse vergoeding van me vragen (al is dat gechargeerd), valt hun mond open van verbazing. Een mzungu zonder een dikke portemonnee, dat kwam in hun belevingswereld nog niet voor.
Uiteindelijk worden alle dozen na een ellenlange lunchpauze en nog een uur van eindeloos stempelen vrijgegeven. En protesteren de fixers wel als ik ze hun beloning geef, maar niet tegen mij. Dat doen ze heel subtiel in het Swahili bij mijn lief. Om vervolgens een lift terug naar Nairobi te vragen. Blijkbaar hebben ze tóch genoeg verdiend die dag.
Friday, 21 March 2008
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
No comments:
Post a Comment