
Volgens alle insiders (lees: de reisgidsen en andere informatiebronnen) heeft Kenya geen seizoenen zoals we die in Europa hanteren - herfst, winter, lente, zomer. Nee, Kenyanen kennen zogenaamd alleen de ‘korte’ en de ‘lange’ regens en de periodes daartussen. De korte regens zijn grofweg van november tot en met januari; de lange van maart tot en met mei. Al is het verschil tussen ‘kort’ en ‘lang’ mij nog altijd niet duidelijk – in beide periodes kan het lang en hard regenen, maar heb je ook dagen met strakblauwe luchten en een brandende zon.
Maar goed. Het concept ‘winter’ bestaat niet in Kenya volgens de kenners. Toch hoor ik de locals al wekenlang klagen over de extreme kou deze winter.
Het begon eind mei met frisse avonden en nog frissere ochtenden. In juni werd het menens met intens grijze dagen waarop de zon zich niet liet zien. Maar het kon nog kouder, in juli. Erwin Kroll zou zeggen: waterkoud. Motregen, druilregen, gestaag druppelende regen, slagregens, hagel, daar was helemaal niets tropisch aan. Binnen vijf minuten werd de lucht inktzwart en braken er hagelbuien uit waarbij het zicht tot nul gereduceerd werd. Altijd op vrijdagmiddag, waardoor het toch al chaotische weekendverkeer in een ware veldslag veranderde. En de ritprijs voor hen die een plekje in een matatu wisten te bemachtigen omhoog ging van 50 shilling naar soms wel 500 shilling.
Bizar: woon je zo’n 200 kilometer ten zuiden van de evenaar, heb je het nog koud. Op veel dagen is het hier in tropisch Afrika zelfs aanzienlijk koeler dan in zomers Nederland.
Kou is natuurlijk relatief. Zelfs op de meest frisse dagen komt het kwik niet beneden de 11-12 graden. Maar de gevoelstemperatuur ligt aanzienlijk lager. Want alle huizen zijn gebouwd op zoveel mogelijk koelte, verwarming ontbreekt en alle ramen lijken standaard te tochten. Vooral werken is een beproeving van kippenvel en ijshanden – stilzitten achter een computer terwijl de kou langzaam van de vloer je botten intrekt. Ik wapen me met wollen vestjes, maillots en laarzen. Mijn collega’s hijsen zich niet eens in een panty en blijven in dezelfde rokken met blote brenen rondlopen. Geen wonder dat de een na de ander ziek wordt. Want winter in Nairobi, dat is vooral een periode van snotteren en hoesten. Kassa voor de ziekenhuizen (huisartsen bestaan niet, voor een dokter ga je naar een hospitaal) en de fabrikanten van antibiotica.
Niets zo veranderlijk als het weer, ook in Nairobi. Binnen één dag – wat heet, binnen enkele minuten kan het radicaal omslaan en van ijskoud naar fris naar aangenaam naar warm gaan. Four seasons in one day. Herfst, als de slagregens je binnen tien seconden helemaal doorweken en de straten in woest kolkende rivieren doen veranderen. Winter, als de hagelstenen naar beneden kletteren en het verkeer voor even lamleggen. Lente, als de lucht ’s ochtends babyblauw kleurt en het zonnetje aarzelend doorbreekt. Of als de drupregen in alle vroegte grassig ruikt zoals in het Nederlandse voorjaar en een tinteling van belofte aan de dag geeft. Zomer, als het wolkendek halverwege de middag openbreekt en de zon uitbundig schijnt. En de askari (bewakers) van het wooncomplex waar ik dagelijks langs kom hun eerste spelletje dam van de dag spelen op een muurtje in de zon.
Juli gaat in kou ten onder. Augustus begint veelbelovend en zonovergoten. Heel Nairobi lijkt uit zijn schulp te kruipen en is op zondagmiddag in Uhuru Park te vinden. Zelfs de locals, die van nature altijd de schaduw opzoeken, warmen zich in de zon.
Maar na een paar dagen is het weer net zo kil, grijs en nattig als in juli. En wandel ik nog altijd in recordtempo naar kantoor, om de kou buiten te sluiten. Blijf ik verslaafd aan pittige soep, warme chocolademelk en hete thee, om een beetje warm te blijven. Kruip ik ’s avonds vroeg onder de wol, bij gebrek aan verwarming - met visioenen van een knapperend haardvuur.
Maar goed. Het concept ‘winter’ bestaat niet in Kenya volgens de kenners. Toch hoor ik de locals al wekenlang klagen over de extreme kou deze winter.
Het begon eind mei met frisse avonden en nog frissere ochtenden. In juni werd het menens met intens grijze dagen waarop de zon zich niet liet zien. Maar het kon nog kouder, in juli. Erwin Kroll zou zeggen: waterkoud. Motregen, druilregen, gestaag druppelende regen, slagregens, hagel, daar was helemaal niets tropisch aan. Binnen vijf minuten werd de lucht inktzwart en braken er hagelbuien uit waarbij het zicht tot nul gereduceerd werd. Altijd op vrijdagmiddag, waardoor het toch al chaotische weekendverkeer in een ware veldslag veranderde. En de ritprijs voor hen die een plekje in een matatu wisten te bemachtigen omhoog ging van 50 shilling naar soms wel 500 shilling.
Bizar: woon je zo’n 200 kilometer ten zuiden van de evenaar, heb je het nog koud. Op veel dagen is het hier in tropisch Afrika zelfs aanzienlijk koeler dan in zomers Nederland.
Kou is natuurlijk relatief. Zelfs op de meest frisse dagen komt het kwik niet beneden de 11-12 graden. Maar de gevoelstemperatuur ligt aanzienlijk lager. Want alle huizen zijn gebouwd op zoveel mogelijk koelte, verwarming ontbreekt en alle ramen lijken standaard te tochten. Vooral werken is een beproeving van kippenvel en ijshanden – stilzitten achter een computer terwijl de kou langzaam van de vloer je botten intrekt. Ik wapen me met wollen vestjes, maillots en laarzen. Mijn collega’s hijsen zich niet eens in een panty en blijven in dezelfde rokken met blote brenen rondlopen. Geen wonder dat de een na de ander ziek wordt. Want winter in Nairobi, dat is vooral een periode van snotteren en hoesten. Kassa voor de ziekenhuizen (huisartsen bestaan niet, voor een dokter ga je naar een hospitaal) en de fabrikanten van antibiotica.
Niets zo veranderlijk als het weer, ook in Nairobi. Binnen één dag – wat heet, binnen enkele minuten kan het radicaal omslaan en van ijskoud naar fris naar aangenaam naar warm gaan. Four seasons in one day. Herfst, als de slagregens je binnen tien seconden helemaal doorweken en de straten in woest kolkende rivieren doen veranderen. Winter, als de hagelstenen naar beneden kletteren en het verkeer voor even lamleggen. Lente, als de lucht ’s ochtends babyblauw kleurt en het zonnetje aarzelend doorbreekt. Of als de drupregen in alle vroegte grassig ruikt zoals in het Nederlandse voorjaar en een tinteling van belofte aan de dag geeft. Zomer, als het wolkendek halverwege de middag openbreekt en de zon uitbundig schijnt. En de askari (bewakers) van het wooncomplex waar ik dagelijks langs kom hun eerste spelletje dam van de dag spelen op een muurtje in de zon.
Juli gaat in kou ten onder. Augustus begint veelbelovend en zonovergoten. Heel Nairobi lijkt uit zijn schulp te kruipen en is op zondagmiddag in Uhuru Park te vinden. Zelfs de locals, die van nature altijd de schaduw opzoeken, warmen zich in de zon.
Maar na een paar dagen is het weer net zo kil, grijs en nattig als in juli. En wandel ik nog altijd in recordtempo naar kantoor, om de kou buiten te sluiten. Blijf ik verslaafd aan pittige soep, warme chocolademelk en hete thee, om een beetje warm te blijven. Kruip ik ’s avonds vroeg onder de wol, bij gebrek aan verwarming - met visioenen van een knapperend haardvuur.
Op een ochtend zie ik een Kenyaan met wel erg zwarte handen. Twee keer kijken en ik ontdek zijn geheim. Handschoenen!
Winter in Nairobi, het bestaat echt.
2 comments:
Ha Mo,
sterkte met de kou! En hebben jullie alweer water in Nairobi inmiddels? Jammer dat ik je reactie op mijn blog te laat zat, anders hadden we even een kop koffie kunnen doen toen ik laatst in nairobi was. Next time...
Groeten uit Oeganda! Arne
Hey Arne!
Deze week is het zowaar zacht & lente-achtig, dus de kou valt voor even mee. Al werk ik nog altijd in een koelcel.
En water... don't ask! Rantsoenering in heel Nairobi, maar net in het ene gebouw waar ik woon laat de waterleiding het al twee weken helemaal afweten...
Hoe dan ook: volgende keer koffie lijkt me prima. Wie weet kom ik ooit weer richting Kampala (ik hoop het - al ga ik dan voor muchoma & Nile Special), anders Nairobi.
ciao, Mo
Post a Comment