
Jamhuri 2. Vanaf nu is dat mijn thuis. Ergens in zuid-west Nairobi, tegen de sloppenwijk Kibera aangeplakt, gelegen aan de bekende Ngong Road, de weg die grofweg van downtown Nairobi naar de blanke enclave Karen voert (het territorium van hen die in de volksmond KC’s of Kenyan cowboys heten) en verder naar de Ngong Hills loopt.
Jamhuri 2 is een middenklasse wijk, bevolkt door ‘mixed tribes’. Dat betekent dat de meeste huizen eigendom van de bewoners en zelf gebouwd zijn, wat een aardig ratjetoe aan stijlen oplevert, voor zover je dat achter de alom aanwezige muren, hekken en dikke stalen poorten kunt onderscheiden. Ieder paleisje is ook hier in een nauwelijks te nemen fort omgetoverd, de dagelijkse realiteit van wonen in Nairobbery.

Dat betekent niet dat de straatjes hier geasfalteerd zijn. De zijweg van Ngong Road (herkenningspunt voor als ik de matatu neem: op de hoek bij Ngong Posta, oftewel het postkantoor, dat overigens een van de eerste slachtoffers van de rellen in januari was en totaal is uitgebrand) is nog wel verhard, maar zodra je de wijk echt in gaat (herkenningspunt: na drie verkeersdrempels afslaan bij de Coca Cola kiosk) is het een echte Keniaanse dirt road vol hobbels en kuilen. Nog twee keer bij een Coca Cola kiosk (al net zo alom aanwezig) een zijpad in slaan en dan ben ik er echt, bij mijn Afrikaanse poppenhuis.
Zoals bijna overal in Kenya hebben de straten geen namen en de huizen geen nummers. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ik de locatie van mijn ‘residentie’ (in de woorden van de ambassade) op een plattegrondje c.q. routebeschrijving moest aangeven, toen ik me bij de Nederlandse ambassade registreerde als in Kenia woonachtige Nederlandse.

Voor ik dan echt van mijn poppenhuisje kan genieten, moet ik nog twee horden nemen. Eén: de enorme stalen poort, afgesloten met een megagroot hangslot, waarvan ik nog altijd niet de sleutel heb. Twee: mijn ‘eigen’ voordeur, ook afgesloten met een megagroot hangslot, waarvan alleen ik de sleutel heb. Voor horde één heb ik het telefoonnummer van Julius de askari, de bewaker, een Tanzaniaanse Masai die werkelijk geen woord Engels spreekt. Een consequente en constante stroom Swahili komt mijn kant op, waar ik nauwelijks iets van begrijp. Vooral aan de telefoon is dat erg grappig. Ik heb de gewoonte om me te introduceren als de ‘mzungu neighbour’ (de blanke buurvrouw), waarop een “Sawa” (OK!) volgt. En iedere keer komt hij dan uit de vreemdste hoeken met de sleutel te voorschijn. Vaak vraagt hij waar mijn rafiki (vriend) is. Of zoiets.

Behalve Julius is er nóg een askari, maar die bevindt zich achter de poort, op de compound. De hond luistert simpelweg naar de naam Doggy en ziet er scharrig uit, met een bijzonder droevige blik in de ogen. Na twee dagen begint het beest gelukkig aarzelend te kwispelen in plaats van agressief te blaffen bij mijn aanblik. Doggy heb ik tenminste een beetje Nederlands kunnen leren, want “Goed volk!” begrijpt hij helemaal. Zelf mijn rafiki wordt inmiddels voorzichtig kwispelend begroet.

Op de compound ga ik een steegje door langs het huis van Martin de huisbaas. Dan staat er op een smal grasveldje met waslijnen het piepkleine guest house, oftewel mijn Afrikaanse poppenhuisje. Niet ruim, maar wel naar goed Keniaans gebruik helemaal volgepropt met grote, robuuste meubels. De keuken is zo ieniemini, dat de koelkast in de zithoek is ingepast. De slaapkamer is zo klein, dat ik er niet eens een behoorlijke foto van kan maken. Maar het bed is dan weer zo groot, dat ik er makkelijk overdwars en diagonaal in kan liggen.

Een koelkast, tweepits gasstel, electriciteit en koud water, dat zijn de voorzieningen. In de badcel (‘kast’ is misschien een betere omschrijving) heb je links het toilet en rechts de douche. Die ik onmiddellijk in een Afrikaanse douche heb omgetoverd. Want bijna iedere Keniaan die ik ken wast zich met water uit een teiltje.
Een van mijn belangrijkste investeringen hier was een waterkoker. De eerste actie ’s ochtends is water koken en dat in een grote teil gieten. Gemengd met koud water levert dat een aangenaam bad op. Met een klein kannetje giet ik het water over mijn lijf, zeep me in en spoel me af. Net zo schoon en in ieder geval een stuk comfortabeler dan een koude douche.

Het gasstel werkt nog niet, dus eten koken (of beter: het diner organiseren) vergt een hoop improvisatie en creativiteit. Het peertje in de badkamer is stuk, in de zitkamer en de slaapkamer zijn de lampen maar liefst 100 Watt sterk. De gordijnen zijn opgemeten, maar moeten nog geregeld worden. In de slaapkamer hangt provisorisch een dekbedovertrek voor het raam, met behulp van een waslijntje en knijpers. In de zitkamer is het met het felle licht en de ontbrekende gordijnen net alsof je in een etalage zit.

Maar! Ik weet inmiddels precies bij welke kiosk ik moet zijn voor groente, fruit, beltegoed, of andere eerste levensbehoeften. Alle buurkinderen zwaaien naar me of komen een handje geven. Buurvrouwen groeten me met een vrolijk “Habari!” of “Hello, how are you!” Al mijn spullen hebben een eigen plekje gevonden in een van de kamers. Het mag dan een kleine ruimte zijn met voor Westerse begrippen weinig luxe, maar het is wel al helemaal mijn eigen stek. Mijn Afrikaanse poppenhuisje!

2 comments:
cool huisje ! En wat kost dat ?
@ Mwende: beetje vreemde vraag... wat héb je aan die informatie?
Post a Comment